'Witte steenkool' te dure energiebron

LINNE, 5 juli Volgens de elektriciteitsbedrijven is het hoogst onzeker of de komende tien jaar nog nieuwe waterkrachtcentrales in Nederland worden gebouwd. De bestaande waterkrachtcentrales in Limburg, Gelderland en Noord-Brabant zijn bij de huidige, lage energieprijzen verliesgevend. De provinciale elektriciteitsbedrijven zijn alleen bereid in 'witte steenkool' te investeren als de overheid financiele steun geeft of hogere elektriciteitstarieven toestaat.

Dit gegeven overschaduwde gisteren de feestelijke opening van de eerste waterkrachtcentrale van de provinciale Limburgse elektriciteitsmaatschappij (PLEM) in de Limburgse Maas bij de sluis te Linne. De centrale in Linne, waarvoor al in 1916 de eerste plannen werden ontworpen, heeft een vermogen van 11 Megawatt en een jaaropbrengst van circa 52 miljoen kWh, voldoende om een stad als Venlo (17.000 huishoudens) van stroom te voorzien.

Maar Linne blijft voorlopig de enige Limburgse gemeente met witte steenkool. De vergevorderde plannen van de PLEM voor soortgelijke centrales bij Borgharen, Roermond, Belfeld en Sambeek blijven voorlopig op een stoffige plank liggen. 'Bij de huidige energieprijzen hadden we nooit besloten tot de bouw van deze onrendabele waterkrachtcentrale', zei de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Commissarissen van de PLEM, drs. J. B. Pleumeekers. Hij voorspelde dat zonder overheidssubsidie 'nog ten minste twintig jaar op de bouw van de volgende waterkrachtcentrale moet worden gewacht'.

Pleumeekers laakte dat de overheid wel de ontwikkeling van windenergie financieel ondersteunt, terwijl de elektriciteitsbedrijven geen cent krijgen voor de bouw van waterkrachtcentrales.

De directeur-generaal Energie van het ministerie van economische zaken, mr. drs. C. W. Dessens bleef echter bij zijn opvatting dat de elektriciteitsbedrijven niet of nauwelijks op overheidssteun hoeven te rekenen. 'Windenergie verdient extra ondersteuning omdat de technische ontwikkeling minder ver is voortgeschreden dan bij waterkrachtcentrales.' De provinciale elektriciteitsbedrijven in Limburg, Gelderland en Noord-Brabant hadden halverwege de jaren tachtig, toen hoge energieprijzen Nederland teisterden, serieuze plannen voor de bouw van maximaal elf waterkrachtcentrales. Met een totaal vermogen van 66 a 83 Megawatt (MW) zouden deze centrales in de toekomst kunnen voorzien in de opwekking van 358 tot 416 kilowattuur stroom (kWh) per jaar. Van deze plannen zijn naast Linne waterkrachtcentrales gerealiseerd bij Maurik in de Nederrijn (10 MW) en bij Lith in de Maas (14 MW). Al deze projecten zijn bij de huidige energieprijzen niet rendabel.

De bouw van de waterkrachtcentrale in Linne vergde een investering van 72,5 miljoen gulden. De PLEM heeft een deel van die investering (17 miljoen gulden) als buitengewone last in de jaarrekening opgenomen. 'Het enige andere alternatief was verhoging van het elektriciteitstarief, maar dat mogen we niet van de overheid', verzuchtte een commissaris van de PLEM. De centrale in Linne zou pas rendabel zijn als de energieprijzen circa veertig procent, ofwel 5,5 cent per kWh, zouden stijgen. Voordeel is wel dat de levensduur van de waterkrachtcentrale wordt berekend op veertig tot vijftig jaar. Voor een thermische centrale wordt uitgegaan van vijfentwintig jaar.

De waterkrachtcentrale in Linne is een staaltje van technisch vernuft. De vier turbines met een vermogen van 3,5 MW hebben een doorsnede van vier meter. De behuizing van de turbines is een reusachtig caisson, veertig meter lang en breed, dat ruim twintig meter diep in de rivierbodem steekt. Het caisson is bovengronds gebouwd en daarna pneumatisch afgezonken. De centrale valt daardoor nauwelijks op in het fraaie Limburgse landschap. Een zogenoemde vispassage met een lengte van 215 meter verleent vissen en andere waterdieren een ongestoorde doorgang. Directeur ir. G. J. Prieckaerts van de PLEM heeft nog niet helemaal de moed opgegeven dat binnen tien jaar toch nog een waterkrachtcentrale bij Borgharen kan worden gebouwd. Hij onderstreepte dat verdere ontwikkeling van 'witte steenkool' naadloos aansluit bij de plannen van het kabinet om het aandeel van duurzame energie te vergroten en te zoeken naar alternatieve energiebronnen. 'Het NMP-plus en de Nota Energiebesparing staan bol van die plannen.' De PLEM-directeur heeft zijn hoop nu gevestigd op overleg tussen de Samenwerkende Elektriciteits-produktiebedrijven (SEP) en het ministerie van economische zaken. De Nederlandse elektriciteitstarieven behoorden vorig jaar tot de laagste in Europa. 'Enerzijds wil Economische Zaken dat wij de tarieven zo laag houden, anderzijds wil het kabinet het gebruik van kolencentrales terugdringen door meer gebruik van duurzame energie. Dat verdraagt zich niet met elkaar. Verdere ontwikkeling van witte steenkool kan alleen als de overheid toch hogere tarieven toestaat of onze plannen voor waterkrachtcentrales subsidieert.'