Westerse donors breiden hulp aan Oost-Europa uit

BRUSSEL, 5 juli De ministers van buitenlandse zaken van de G-24, de groep van landen die sinds vorig jaar hulp verlenen aan Polen en Hongarije, hebben gisteren besloten soortgelijke hulp te bieden aan Tsjechoslowakije, de DDR, Bulgarije en Joegoslavie.

Roemenie is voorlopig buiten de hulpoperatie gehouden wegens de gewelddadige onderdrukking van betogingen in Boekarest, afgelopen maand. Wat betreft de Sovjet-Unie uitten de ministers alleen hun 'belangstelling voor positieve ontwikkelingen van hervorming naar een democratisch systeem en een markteconomie'. Concrete bedragen voor de uitbreiding van de hulp zijn gisteren niet genoemd, maar wel zeggen de ministers in de gemeenschappelijke verklaring die gisteren in Brussel werd uitgegeven dat er 'verdere financiele inspanningen van de hele Westerse gemeenschap' nodig zullen zijn. Met de hulpoperatie voor Polen en Hongarije is 11 miljard ECU (ruim 25 miljard gulden) gemoeid.

Over hulp aan de Sovjet-Unie bleek opnieuw sterke verdeeldheid te heersen onder de ministers. De Westduitse minister van buitenlandse zaken, Hans-Dietrich Genscher, en zijn Franse ambtgenoot Dumas bepleitten, net zoals ze onlangs deden op de EG-top in Dublin, voor snelle grootscheepse financiele ondersteuning van de Sovjet-Unie omdat de positie van president Gorbatsjov anders in gevaar zou kunnen komen, maar met name de VS, Groot-Brittannie en Japan keerden zich daar tegen. Wel zal de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Gemeenschap, de G-24 inlichten over de analyse die zij, overeenkomstig de afspraken in Dublin, in overleg met de autoriteiten in Moskou zal maken over de economische situatie in de Sovjet-Unie. De Britse minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, meende dat in de Sovjet-Unie nog lang niet is voldaan aan de voorwaarden die aan de andere Midden- en Oosteuropese landen zijn gesteld: het instellen van een rechtstaat, eerbiediging van de mensenrechten, de invoering van een meerpartijensysteem, het houden van vrije en eerlijke verkiezingen en de vestiging van een markteconomie.

De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, zei te vrezen voor een herhaling van de geschiedenis in de jaren zeventig in Polen, dat toen grote Westerse leningen ontving zonder dat daar garanties tegenover stonden. Bovendien, zei Baker: 'We zien hulp aan de Sovjet-Unie ook in het licht van het nucleair-strategische evenwicht. Waarom zouden we grote bedragen sturen naar een land dat nog steeds een kwart van zijn produktie besteedt aan zijn militaire apparaat?' Baker zei zich zorgen te maken over Joegoslavie. 'Het probleem is dat de centrale regering ons niet kan leveren wat we vragen wegens de situatie in een van de republieken', zei de Amerikaanse minister, en hij duidde daarbij op de gespannen verhouding tussen de deelrepubliek Servie en de provincie Kosovo. Volgens Baker kan politieke en economische hervorming geen resultaat hebben als die wordt ondermijnd door 'intolerantie van binnenuit'. Met betrekking tot Midden-Amerika zei Baker overleg te hebben gehad met de presidenten daar over een 'G-24-achtig mechanisme' om de steun voor democratie en ontwikkeling te verbreden. Van verscheidene kanten, zoals van Spanje, Italie en Japan, kreeg Baker steun voor dit plan.

Over de suggestie van Europees commissaris Frans Andriessen, de coordinator van de G-24-operatie, een soort financieel vangnet voor Midden- en Oosteuropese landen te creeren, werden de ministers het gisteren niet eens. Volgens dat plan zou een bedrag van 10 miljard ECU (2,3 miljard gulden) gereserveerd moeten worden, naar het voorbeeld van het stabilisatiefonds voor Polen, dat 1 miljard dollar omvat. De meeste ministers vreesden dat er een zekere overlapping zou ontstaan met de faciliteiten die via andere internationale instellingen worden geboden. Besloten is nu dat de Europese Commissie een haalbaarheidsstudie over het plan zal maken.