Walvissen zijn voor Noorse vissers slagroom op de taart

ROTTERDAM, 5 juli Vissers uit Noordnoorse kustdorpen willen weer op walvissen jagen. Het verbod op commerciele walvisjacht kost hun teveel geld, vinden ze. Noorwegen probeert op de jaarvergadering van de International Whaling Commission steun te krijgen voor de verlangens van de vissers.

Met een zeventien meter lange houten kotter zijn enkele Noordnoorse vissers naar Scheveningen gevaren. Met dit bootje ving Erling Soloy tot 1982 elke zomer een stuk of twintig dwergvinvissen. Die zouden op het ogenblik gemiddeld vijftienduizend gulden per exemplaar opleveren. Met een uit walvisvangst gerealiseerde omzet van 300.000 gulden per jaar heeft hij geen quota kabeljauw of andere vis nodig om een goed inkomen te verdienen. Maar die tijden zijn voorbij.

Soloy mag geen dwergvinvissen meer vangen en is dus aangewezen op kabeljauw, haring en schelvis. Omdat de visstand in de noordelijke Atlantische Oceaan door jarenlange overbevissing laag is, krijgt hij slechts kleine quota toegewezen. Hij ving vorig jaar naar eigen zeggen voor circa 180.000 gulden aan vis, grotendeels kabeljauw. Het kost ruim 30.000 gulden om de boot te laten varen. Wat overblijft wordt fifty-fifty verdeeld over schip en bemanning. De vier bemanningsleden mogen dus elk een kleine 20.000 gulden mee naar huis nemen voor nog geen half jaar werk. Maar de rest van het jaar is er vrijwel geen ander werk op Lofoten, aldus Arnfinn Ellingsen, burgemeester van het 650 inwoners tellende dorpje Rost. Steinar Bastesen doet al sinds zijn achtste jaar mee aan de walvisjacht. Hij is nu 45, voorzitter van de Noordnoorse vereniging van kleine walvisvaarders en hij heeft het gemaakt, althans tot zijn bedrijf vorig jaar failliet ging. Met zijn 33 meter lange schip ving hij tot 1982 rond de 45 dwergvinvissen per seizoen. Omdat hij het vlees aan boord verwerkt, verpakt en invriest krijgt hij per walvis 30.000 gulden. Het jachtverbod scheelt hem dus 1,35 miljoen gulden omzet per jaar, die hij bovendien in slechts twee maanden binnenhaalde. Met kabeljauw kan hij dat nooit goedmaken bij de huidige lage quota. Bastesen had twaalf man in dienst. 'Als ik weer op walvissen mag jagen krijg ik zo weer geld voor een schip van de bank', zegt Bastesen. Maar als dat niet mag weet hij nog niet wat hij gaat doen. 'Misschien naar het buitenland, misschien een kleine boot kopen.' Als het aan de vissers ligt zou Noorwegen een quota van ongeveer tweeduizend dwergvinvissen moeten zien te krijgen. Volgens hen kan dat best aangezien er volgens Noorse schattingen ongeveer tachtigduizend rondzwemmen in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan. Over die cijfers bestaat echter geen overeenstemming. Er zijn ook onderzoekers die de stand op 30.000 schatten. Het wetenschappelijk comite van de IWC vindt in meerderheid dat het pas zinnige uitspraken kan doen als het over een beter beheersmodel beschikt. Daar wordt aan gewerkt, maar dat is waarschijnlijk pas volgend jaar klaar.

De effecten van een langdurig verbod op walvisjacht voor de visserdorpen in Noordnoorwegen zijn moeilijk te schatten. Ze hangen bijvoorbeeld sterk af van de kabeljauwstand, die nu weer langzaam toeneemt. Maar ook als de kabeljauwstand op peil is, kunnen de vissers met de walvisjacht sneller meer geld verdienen. Bastesen: 'Walvisvangst is juist zo aantrekkelijk omdat je er vrijwel niets voor hoeft te investeren. Het duurste zijn nog de harpoengranaten'.

Deze granaten, waarmee de walvissen worden gedood, kosten ongeveer zevenhonderd gulden per stuk. Bastesen: 'Walvissen vormen de slagroom op de taart'.