Onderwijs houdt meer in dan leren werken

Nadat eerder Philips-topman Wisse Dekker tevergeefs had getracht de gezondheidszorg te reorganiseren, heeft dit jaar Philips-directeur F. C. Rauwenhoff geprobeerd de relatie tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verbeteren. Het is nog de vraag of laatstgenoemde meer resultaat zal boeken dan de vorige deed. Want zowel minister Ritzen van onderwijs, die de commissie instelde, als de commissie-Rauwenhoff is van de verkeerde veronderstelling uitgegaan dat er iets fundamenteels mis is in de verhouding tussen beroepsonderwijs en arbeidsmarkt. Daarom dacht voorzitter Rauwenhoff dat in het onderwijs een 'aardverschuiving' nodig is.

In haar rapport geeft de commissie voor die opvatting geen argumenten en verzuimt zij aan te geven waar zich problemen voordoen en wat daarvan de oorzaken zijn. Nee, in pover Nederlands verkondigt de Commissie (consequent met een hoofdletter geschreven) dat 'het' beroepsonderwijs beter moet inspelen op 'de' arbeidsmarkt.

Het rapport maakt nauwelijks onderscheid tussen de verschillende soorten beroepsonderwijs of tussen de verschillende sectoren van de arbeidsmarkt. Kennelijk gelden de aanbevelingen gelijkelijk voor de lagere huishoudschool en de hogere technische school, voor de bakkersvakschool en de kunstacademie. De opleidingsbehoeften van Philips en Shell verschillen voor de commissie niet wezenlijk van die van het bejaardenhuis en de supermarkt.

Het tekort aan arbeidskrachten in het Westland, de discriminatie van gekleurde jongeren op de arbeidsmarkt of de geringe animo voor de verpleging hebben allemaal een oorzaak: de gebrekkige overgang van school naar beroep. En dus rolt ook een oplossing uit de bus: het zogenaamde 'duale bestel', waarbij onderwijs en arbeidsmarkt samen verantwoordelijkheid dragen voor de beroepsopleiding. School en bedrijf moeten arbeids-leerovereenkomsten sluiten, die de student een 'vloeiende overgang' van onderwijs naar arbeidsmarkt garanderen.

Het streven van de commissie-Rauwenhoff om iedere jongere een startkwalificatie te geven is sympathiek. De aanbeveling om arbeidsorganisaties min of meer te verplichten tot medewerking hieraan, kun je zelfs moedig noemen. Maar is het realistisch te verwachten dat bedrijven meer scholing willen organiseren dan uit direct bedrijfsbelang op korte termijn nodig is? De eerste reacties uit het georganiseerde bedrijfsleven wijzen daar niet op.

Feiten

De vakbeweging (die door minister Ritzen niet bij de commissie-Rauwenhoff is betrokken) herinnerde dezer dagen terecht aan de problemen die zich in het verleden voordeden rond het leerlingstelsel. Op zichzelf is het leerlingstelsel voor schoolverlaters een prima manier om zich een plaats op de arbeidsmarkt te veroveren. Maar toen de conjunctuur aan het eind van de jaren zeventig terugliep, kwam het aantal leerplaatsen in de bedrijven wel op de tocht te staan. De zwakste jongeren moesten het daarbij het eerst ontgelden. Helemaal probleemloos is deze oplossing dus niet.

Maar laat ik me beperken tot het hoger beroepsonderwijs (HBO), want daar zit de commissie-Rauwenhoff het verst bezijden de waarheid. De vooronderstelling dat onderwijs en arbeidsmarkt hier niet op elkaar aansluiten klopt van geen kant. Natuurlijk is de relatie tussen hogescholen en arbeidsmarkt voor verbetering vatbaar. Maar een 'aardverschuiving' zou hier meer kapot maken dan verbeteren.

Dit zijn de feiten. In het hoger beroepsonderwijs studeren 240.000 studenten. Volgens de HBO-raad lopen jaarlijks 40.000 studenten stage bij bedrijven. Een vijfde deel van de HBO-studenten studeert in deeltijd en deze groep heeft vaak een baan naast de studie. Ongeveer 10.000 werknemers van bedrijven en instellingen volgen jaarlijks onderwijs in het post-HBO of contract-onderwijs van hogescholen. Van de personeelsfunctionarissen van Nederlandse bedrijven is tachtig procent tevreden over de kwaliteit van de opleidingen.

Het HBO heeft zich de afgelopen jaren geweldig ingespannen om te voldoen aan de behoeften van de arbeidsmarkt. Niet alleen kwam een grootscheepse fusie-operatie tot stand, gelijktijdig werd de kwaliteit van het onderwijs verbeterd. In veel gevallen werd de stageperiode verlengd. Overal kwamen cursussen van de grond voor bij- en nascholing van werknemers.

Is er te weinig contact tussen school en bedrijf? Aan het Instituut voor de Journalistiek, waar ik zelf werk, zitten twee vertegenwoordigers van de media in het bestuur. Zestig procent van de docenten heeft recentelijk in de journalistiek of voorlichting gewerkt of doet nog steeds freelance-werk in die sector.

Op tal van andere manieren heeft uitwisseling plaats tussen school en beroep. Alle studenten lopen twee keer drie maanden stage en de overgrote meerderheid van die stages wordt positief beoordeeld. De journalistieke vakopleidingen hebben uitstekende afspraken met het bedrijfsleven over stages. Bij de dagbladen zijn die afspraken op voorbeeldige wijze in de CAO vastgelegd. Bij de omroep, de tijdschriften en in de voorlichting en PR bestaan informele afspraken.

Misverstand

Prachtig, zal de commissie-Rauwenhoff zeggen, dat is wat wij verstaan onder 'arrangementen' tussen overheid, bedrijfsleven en hogescholen. Dat is wat het rapport bedoelt met een 'vloeiende overgang' tussen beroepsopleiding en beroepsuitoefening.

Maar dan is er toch sprake van een misverstand. Terwijl Rauwenhoff en de zijnen leer-arbeidsovereenkomsten nastreven, zij hier gepleit voor handhaving, zo mogelijk uitbouw, van het huidige stagewezen. Het essentiele verschil daarbij is dat Rauwenhoff de leer-arbeidsovereenkomst teveel richt op de behoeften van het bedrijfsleven, terwijl de huidige stages in de eerste plaats zijn afgestemd op de onderwijskundige behoeften van de student. In dat perspectief zijn twee korte stages aantrekkelijker dan een lange en kunnen stagebureaus weigeren bepaalde werkzaamheden als stage te accepteren.

Bovendien hoeft de toewijzing van stages in deze opzet niet zo nauw gekoppeld te worden aan de toch altijd onvoorspelbare vraag op de arbeidsmarkt. Tenslotte zijn studenten in dit systeem vrijer na hun studie een heel andere baan te kiezen dan die waarvoor zij zijn opgeleid. Dat laatste is niet onbelangrijk, want ook bedrijven willen vaak mensen van heel verschillende opleidingen in huis halen. Alleen daardoor al lijken de voorstellen van Rauwenhoff onuitvoerbaar.

Natuurlijk kan ook in het hoger beroepsonderwijs nog veel worden verbeterd. De kwaliteitsbewaking is bijvoorbeeld nog maar net van de grond gekomen en kan zeker worden geintensiveerd. Sommige voorstellen van de commissie-Rauwenhoff zijn daarbij het overwegen waard. Maar het zou rampzalig zijn als we het in veel sectoren goed werkende systeem van stages zouden vervangen door het conjunctuurgevoelige systeem van leer-arbeidsovereenkomsten van Rauwenhoff.

De terminologie van de commissie-Rauwenhoff verraadt dat zij het onderwijs teveel ziet als instrument ten behoeve van de arbeidsmarkt. Zij heeft te weinig oog voor de economische belangen op langere termijn en helemaal geen zicht op de veel bredere culturele taak van het onderwijs.

Dat is jammer, want uiteindelijk heeft het bedrijfsleven meer aan breed inzetbare, kritisch gevormde mensen dan aan 'tailor-made' leerling-werknemers, die 'just-in-time' komen en als het slecht gaat 'just-in-time' verdwijnen.

De auteur is stagecoordinator van het Instituut voor de Journalistiek van de Hogeschool Midden Nederland.