Macht en krediet

De nationale ombudsman is niet minder dan de Algemene Rekenkamer een instrument in handen van de Tweede Kamer om haar controlerende taak naar behoren te kunnen vervullen. Onder geringe belangstelling besprak de Tweede Kamer gisteren het jaarverslag van de ombudsman over 1989. Een verklaring voor de beperkte aandacht zou gelegen kunnen zijn we citeren hier de GPV'er Schutte in de alledaagsheid van de problemen waarop de ombudsman in zijn werk stuit: langzaam malende ambtelijke molens, tekortschietende informatieverstrekking, niet steeds correct optredende ambtenaren. Deze verschijnselen komen inderdaad voor, wij zijn eraan gewend geraakt en beseffen dat er van uitzonderingen sprake is, maar intussen zijn er voor de onjuist behandelde burgers zeer concrete belangen in het geding. Het Kamerlid Apostolou (PvdA) had gisteren bepaald geen ongelijk met zijn opmerking dat de overheid een voorbeeldfunctie moet vervullen; terecht mogen de burgers verlangen dat de overheid voortvarend werkt en daarbij zorgvuldigheid en accuratesse betracht. Het klinkt inderdaad mooi: 'een overheid die goed met haar macht weet om te gaan krijgt krediet bij de burger'.

Het Kamerlid Vriens-Auerbach (CDA) redeneerde in vergelijkbare zin: 'Wanneer de overheid de burger zou behandelen zoals zij zelf wil worden behandeld zouden er veel minder klachten zijn'.

Het instituut van nationale ombudsman werd bij wet van 4 februari 1981 in het leven geroepen en kreeg in 1983 een grondwettelijke basis. (Volgens artikel 108 van de Grondwet geschiedt de benoeming van de ombudsman door de Tweede Kamer als diens werkzaamheid de gedragingen van de rijksoverheid betreft.) Naar aanleiding van de overigens niet algemene parlementaire wens tot uitbreiding van de competentie van de ombudsman sprak minister Dales (binnenlandse zaken) gisteravond over de mogelijkheid van een gefaseerde aanpak, waarbij zij dacht aan uitbreiding van de competentie van de ombudsman tot de gemeentelijke overheden in 1992 en aan verdere uitbreiding in '94. Gezien zijn wijze van benoeming heeft de ombudsman een nauwe band met de parlementaire democratie, ofschoon zijn bevoegdheden beperkt zijn: hij komt tot bepaalde oordelen en aanbevelingen, maar het is het parlement dat de desbetreffende conclusies politiek moet vertalen. Sinds het eind van de jaren '60 hebben velen de mond vol gehad over politieke vernieuwing, waarbij vooral de mogelijkheid van een gekozen premier of kabinetsformateur veel aandacht kreeg zonder ook werkelijkheid te worden. De gedachte aan een rechtstreeks door de burgers gekozen ombudsman als instituut 'sui generis' is voorzover bekend tot dusverre nog niet geopperd en zou wellicht ook op het bezwaar kunnen stuiten dat aldus het parlementaire stelsel zou worden uitgehold.

Heel even en heel vluchtig waarde gisteren in de Tweede Kamer ook de schim rond van Thorbecke, de man van de middelbaar-onderwijswet van 1863, die de grondslag legde voor de oprichting van hogere-burgerscholen, waaronder veel rijks-hbs'en. Een wetsvoorstel in verband met de overdracht van het bestuur van rijksscholen aan gemeenten onder meer omdat de rol van de rijksoverheid terughoudender zou moeten worden riep een aantal vragen op: wat gebeurt er bij voorbeeld als een gemeente na overdracht een school wil 'verbijzonderen'