LIEFDELOZE ZOMERKOMEDIE VAN ROB HOUWER; De emancipatie van dewansmaak

Producent Rob Houwer typeert zijn al bijna een jaar geleden voltooide laatste film De gulle minnaar als 'een zomerse Nederlandse filmkomedie zonder poespas en intellectuele franje'. Het door Houwer zelf geschreven scenario is losjes gebaseerd op twee boekjes van Marjan Berk, 'De feminist' en 'De dag dat de mayonaise mislukte' en werd door Mady Saks (Ademloos en Iris) geregisseerd als 'een opdrachtfilm'. Niet alleen de presentatie, maar ook de film zelf ademt een uitdagende houding jegens de spraakmakende elite die in Nederland de dienst zou uitmaken. Een overspelige concertpianist (Rick Launspach) kapittelt zijn vriendin, een gewezen popzangeres (Mariska van Kolck), omdat ze zich inlaat met zoiets ordinairs als een talkshow op televisie. En Adele Bloemendaal spreekt als pinnige gastronoom haar afschuw uit over het happen in een frikadel: 'Straks krijgen we hier niets anders meer te eten'.

De boodschap van De gulle minnaar aan het publiek is dan ook die van Veronica: laat ze maar praten en doe gewoon wat je lekker vindt.

De brutaliteit waarmee de wansmaak zich emancipeert maakt van De gulle minnaar een mijlpaal in de Nederlandse filmgeschiedenis. Vanaf de openingsscene, die een joggende man (Peter Faber) met pitbullachtig hondje presenteert, is het een staalkaart van de onbenulligheid die in de jaren negentig juist luider dan ooit victorie kraait.

Wie reclamespots het summum van 'entertainment' vindt, kan zijn hart ophalen. De lijst van sponsors is zo lang, dat een deel van de 'product placement' zelfs gewoon in de vorm van STER-spots op een toevallig aanstaande televisie moest worden ondergebracht. Dit is de wereld van Story en Jan Lenferink, van Nescafe Gold en geflambeerde ravioli met ganzelever, van squashers en worstfabrikanten, van Joop Braakhekke en het snel degenererende Amstel Hotel, waar kauwgom SportLife heet en een dessert 'een toet'. Een begaafd regisseur als Frans Weisz of Pieter Verhoeff had van Houwers dolgedraaide consumptiekermis misschien nog een absurde en tegendraadse komedie kunnen bakken. Mady Saks heeft daarentegen de vloedgolf over zich laten komen en verdrinkt reddeloos. Sommige scenes zijn zo knullig van spel, mise-en-scene en timing dat je je kunt afvragen of er wel een regisseur aan te pas is gekomen.

De boertige leut en de overmaat aan seksuele gymnastiek doen nog het meest denken aan Houwers eerste Hollandse hit, Wat zien ik?. In 1971, ook het jaar van Blue Movie, kon althans een deel van het succes van de Nederlandse speelfilms verklaard worden uit de openhartige erotiek. Het publiek haalde in met de gretigheid van een pas tot libertijn bekeerde calvinist wat het jarenlang tekort gekomen was. Krap twintig jaar later wekt de parade van bedscenes in De gulle minnaar voornamelijk verveling; de lacherigheid wordt slechts veroorzaakt door de onhandigheid van de regie in het suggereren van copulaties.

Als Peter Faber, wiens vrouw in India naar zichzelf zoekt, zijn zoontje op de fiets naar school brengt, staan de moeders in Fiatje en eend elkaar te verdringen om een afspraakje met hun weldoener. De onverzadigbare paringsdrang van die vrouwtjes wordt met meer verachting geschilderd dan de vermoeide zwakte van het mannelijk vlees. Aan werk of andere hobbies komt de arme Peter nauwelijks meer toe. En als hij letterlijk halsoverkop in de armen van Mariska van Kolck buitelt, wordt die zinvolle liefdesrelatie wreed verstoord door de jaloezie van zijn talloze eerdere minnaressen. De grootste harpij (Sylvia Millecam) reageert haar afgunst eerst af op haar kind en besluit dan pappa maar eens te bellen. Die is immers fotograaf bij de Story en de goeiige lobbes (Maarten Spanjer) vergezelt haar met tegenzin op een alles onthullende reportage over de liefdesnestjes van de nieuwe vriend van Mariska van Kolck, net als in werkelijkheid een tweederangscoryfee van de roddelpers. Je zou bijna menen dat het scenario geen reclame is voor het blad, maar de directie denkt daar kennelijk anders over, gezien de breed uitgemeten naamsvermelding.

De publikatie over Peters escapades dreigt de prille liefde definitief te verstoren. Mariska raakt nu in de ban van een knakworstmagnaat (Lex de Regt), die haar tegen ruime vergoeding opvoert in een STER-spot en met Magnums tracht te verleiden tot sadomasochistische spelletjes. De enige mogelijkheid voor Peter om Mariska nog te bereiken is binnendringen op het Grand Gala Culinair, een live-uitzending, waar zij de toet bereidt. Daartoe verleidt en ontvoert hij de Franse eregaste Violetta Damast en maakt als de tante van Charley zijn opwachting voor de camera's. Peter Faber in een jurk die Frans praat, dat is leuk. De uitzending ontaardt in gooi- en smijtwerk en dan is ineens, binnen een minuut, de film afgelopen na een weer uiterst lamlendig geconstrueerde 'eind goed, al goed'-slotscene.

Dat 'elitaire filmrecensenten', zoals Nederlandse filmproducenten dat slag soms betitelen, weinig enthousiasme op zouden brengen voor de strekking van De gulle minnaar wist Houwer natuurlijk van tevoren. Voor hun is de film natuurlijk ook niet bedoeld, zo redeneert hij, en zoekt de aanval die immers de beste verdediging is, al in de dialogen. Maar het is niet de reactionaire, kleinburgerlijke en de pretcultuur propagerende inhoud die De gulle minnaar tot de slechtste Nederlandse film sinds 1971 maakt. Met het snobisme dat Paul Verhoevens Nederlandse films of zelfs de volkse humor van een voortreffelijke Houwer-produktie als Van geluk gesproken bij voorbaat diskwalificeerde, heeft mijn verachting voor De gulle minnaar weinig uit te staan. Die film deugt niet, vanwege de liefdeloosheid, de slordigheid, de laat-maar-waaien-mentaliteit van de makelij. Daarmee wordt namelijk het publiek, dat best wel eens een vlotte, Hollandse zomerkomedie zou willen zien, beledigd. Mocht dat publiek in de door co-producent Veronica stevig aangepakte televisie-ondersteuning van de uitbreng aanleiding vinden om weer eens de bioscoop te bezoeken, dan is het na anderhalf uur weer snel van die aandrang genezen.