Keffertje Killer is bang voor tomatenketchup

In tekenfilms wordt het dier vaak een andere rol toebedeeld dan het in het werkelijke leven speelt. De muis bijvoorbeeld, een eng vies beestje waar veel vrouwen bang voor zijn en dat gedoemd is te sterven in de val of door gif, is sinds Walt Disney's Mickey Mouse en zijn vriendin Minnie pienter en aanbiddelijk. Katten, doorgaans toch wijs, mysterieus en aanhalig, zijn in tekenfilms meestal vals, gemeen en bangelijk, en in de strijd met de muis bovendien onhandig en dom.

Alleen honden lijken aan hun normale image te beantwoorden. Het vuilnisbakkenras woont ook temidden van afval, schoothondjes doen hun naam eer aan. De hond is van nature braaf en trouw, ook al ontspoort hij wel eens, en dat is waarschijnlijk ook de gedachte achter de tekenfilm van Don Bluth.

All Dogs Go to Heaven luidt de optimistische titel. De Nederlands gesproken versie kreeg een wat gereserveerde vertaling, en terecht, want zelfs in de film is het niet alle honden beschoren een zalig hiernamaals te betreden. Ook Honden gaan naar de Hemel dekt de lading beter. Bluth, afkomstig uit de stal van Disney, maar sinds 1979 een zelfstandig tekenfilmregisseur die graag volwassen onderwerpen aansnijdt als het verwerpelijk experimenteren op dieren (The Secret of N. I. H. M.), of de immigratie van joods-Russische muizen in Amerika (An American Tail), lijkt zich hier wat meer bewust van de jeugdige leeftijd van zijn publiek. Het verhaal over de Duitse herder Charlie die in de hemel belandt, het daar maar saai vindt en weer terugkeert naar het aardse bestaan, zal bovendien ook het kind in de volwassen bioscoopbezoeker aanspreken, al was het maar omdat hij het klassieke gegeven uit Heaven Can Wait herkent.

We kunnen de licht-criminele Charlie trouwens geen ongelijk geven. De hemel waar hij na een reis, ontleend aan Kubricks 2001: A Space Odyssey zo te zien, arriveert, oogt als een eeuwig vakantie-oord, vol weee roze wolken en beheerd door een wel heel zoetgevooisde engel. Nee, dan is het daarbeneden, in de honden-onderwereld van het Louisiana uit 1939, veel spannender, al wacht Charlie daar de pitbull Carface in gezelschap van zijn vaste kracht, de lustmoordenaar Killer, een onooglijk keffertje dat al flauwvalt bij de aanblik van tomatenketchup.

Om Charlie op het rechte pad te brengen wordt er voorts een meisje geintroduceerd, een weesje uiteraard, dat aanvankelijk vanwege haar bijzondere gaven wordt geexploiteerd. Zij verstaat de dierentaal en is zo, in al haar argeloosheid, een uitstekende tipgeefster voor de goklustigen bij de verschillende races die de film telt. Door dit, naar Shirley Temple in Little Miss Marker gemodelleerde meisje komt Charlie tot inkeer.

All Dogs Go to Heaven vertelt niets nieuws, maar doet dat wel met verve en humor. De in Ierland gevestigde studio's van Bluth en producent Sullivan zorgden voor goud-bruine en stemmig blauwe achtergronden, en voor fraai tekenwerk, al zou Walt Disney waarschijnlijk niet onder de indruk zijn. Scenarioschrijver David N. Weiss is alleen wel erg uitvoerig in zijn verhaal, misschien uit angst dat de kleintjes zich anders gaan vervelen. De moraal is bovendien wat vaag, nu Charlie zich al van een plaats in de hemel verzekerd weet, en die niet op aarde hoeft te verdienen. Don Bluths verleden als Mormoons evangelist zou hier wel eens een rol kunnen spelen.