Hulpeloze helpers

In de krant van 21 juni ging ik in op de voorgeschiedenis van wat momenteel 'sociale vernieuwing' wordt genoemd. Ik stuitte toen op het welzijnswerk en, verder gravend naar wortels, op het maatschappelijk werk zoals het zich na de oorlog ontplooide. Mijn conclusie was dat de benamingen weliswaar wisselen maar de inhoud weinig verandert.

Terloops maakte ik melding van het opvallend sterke moralisme waarmee veel van dit werk destijds gepaard ging. Vooral in de jaren zestig en zeventig werd er stevig geklaagd over materialisme en morele verwildering waartegen door middel van opvoeding tot gemeenschapszin diende te worden opgetreden.

In de krant van vorige week donderdag heeft mevrouw Kamphuis tegen deze voorstelling van zaken bezwaar gemaakt. Kort na de bevrijding was er inderdaad een golf van moralisme maar het maatschappelijk werk als zodanig nam een heel andere koers. Zoals zij schrijft waren de uitgangspunten veeleer: 'niet moraliseren, accepteren van de hulpvrager, tolerantie voor de mens al was men het niet altijd eens met zijn gedrag, het niet opleggen van burgerlijke normen aan de ander en het recht op zelfbeschikking van mensen die met het maatschappelijk werk in aanraking kwamen'. Mevrouw Kamphuis doet er goed aan deze fundamentele principes van het moderne maatschappelijk werk nog eens in herinnering te roepen. Ze heeft er ook alle recht toe. Zij zelf behoorde tot degenen die rond 1950 dit programma formuleerden en propageerden; zij was de eerste die, geinspireerd door het Amerikaanse casework, de methodische vernieuwing aanvaard wist te krijgen. Het maatschappelijk werk werd niet langer gezien als praktische ethiek maar als een nuchter vak. 'Helpen als ambacht' is de aardige titel van een bundel opstellen uit die jaren.

Toch houd ik staande dat in de sociale sector een sterk moralisme nog lange tijd de toon bleef aangeven. Dat mijn geheugen mij daarin bedriegt, zoals mevrouw Kamphuis meent, is niet juist. Ik kwam tot mijn oordeel tijdens het lezen van het tweedelige werk van Ernest Hueting en Rob Neij dat vorig jaar onder de titel Voortgang zonder samenhang verscheen en waarin de geschiedenis van het naoorlogse maatschappelijk werk en welzijnswerk achthonderd bladzijden lang uit de doeken wordt gedaan.

Hun relaas laat wel degelijk zien dat morele verontrusting in de naoorlogse tijd een zwaar stempel op de zorgsector drukte. In de jaren vijftig en zestig werd er veelvuldig geklaagd over de 'verwildering' van de jeugd, de aantasting van huwelijk en gezin en de dreiging van onmaatschappelijkheid en materialisme. Er was zorg over het teruglopen van de belangstelling voor het verenigingsleven, over 'massificatie' en al te snelle urbanisatie. 'Vereenzaming' en 'normvervaging' heetten de algemene symptomen van maatschappelijke ontreddering.

Hoe laten beide meningen zich verenigen? Naar mijn idee zouden we onderscheid moeten maken tussen de geschiedenis van het maatschappelijk werk als vakmatige activiteit en de wijze waarop de maatschappelijke omgeving erop reageerde.

Beginnen we bij het maatschappelijk werk, dan valt op dat het van huis uit erop gericht was het vigerende armenzorgdenken, vol neerbuigend paternalisme, te vervangen door een zakelijk gefundeerde, op inzicht berustende aanpak van menselijke nood en meer in het algemeen van sociale misstanden.

Al in het begin van deze eeuw werd die weg ingeslagen. De eerste en lange tijd enige school voor maatschappelijk werk, in 1899 te Amsterdam opgericht, beoogde uitdrukkelijk een beroepsmatige benadering van sociale noden. De school was een initiatief uit links-liberale kring en werkte met een programma dat zelfs nu nog modern aandoet. (Ook hierover schreven Neij en Hueting; zie hun recente boek De opbouw van een sociaal-agogische beroepsopleiding 1899-1989, kort geleden verschenen). Op sociaal en educatief gebied is rechttoe rechtaan vakmanschap in ons twintigste-eeuwse Nederland echter altijd wat verdacht geweest. In de jaren twintig kreeg de Amsterdamse school, waarin alle gezindten samenwerkten, levensbeschouwelijk gefundeerde scholen naast zich. Het Amerikaanse casework van na de oorlog werd uit de diverse levensbeschouwelijke stromingen naar eigen voorkeur 'ingevuld'. De verzuiling, in de jaren vijftig op een hoogtepunt, kon niet gelukkig zijn met een hulpmethodiek zonder evangelisch motief. Mevrouw Kamphuis zelf heeft destijds vergeefs hiertegen geopponeerd.

De ontzuiling bracht geen soelaas, integendeel. Om nog even in christelijke kring te blijven: de duivel werd met Beelzebub uitgedreven. In de jaren zeventig werd het welzijnswerk, zoals inmiddels de naam was geworden, meegesleurd in de maalstroom van politisering en politieke manipulatie. Het zou lang duren voordat de omslag kwam. Nog in 1985 sprak de Onderwijsinspectie over de sociale academies als over een wereld van 'georganiseerde anarchie'. Misschien leidt dit tot een algemene conclusie. Meer nog dan het onderwijs is het maatschappelijk werk altijd bijzonder kwetsbaar geweest. Kon het onderwijs door de centrale overheid stevig worden gestandaardiseerd zodat de ergste uitwassen werden voorkomen, het maatschappelijk werk en het latere welzijnswerk ontsnapten aan die disciplinering. Zij vormden en vormen ook de 'zachte sector' omdat zij weinig verweer hebben tegen de invloed van ideologische stromingen en politieke bemoeizucht.

Terugkerend naar de discussie over de relatie tussen moralisme en maatschappelijk werk in de naoorlogse decennia, zou de conclusie kunnen zijn dat het maatschappelijk werk in die tijd van buiten af in een sociaal-moreel kader werd gedrongen. Het waren vooral politici en beleidsfunctionarissen, al dan niet namens de zuilen, die er behoefte aan hadden het maatschappelijk werk te legitimeren door het een functie te geven in de strijd tegen wat zij zagen als maatschappelijke gevaren. Oorspronkelijk voortgekomen uit een sfeer van hervormingsgezindheid, werd het beroep niet zelden in dienst gesteld van conservatieve stromingen voor wie de transformatie van de Nederlandse samenleving als een bedreiging verscheen.

Op dit punt kan ik op mijn geheugen vertrouwen. De jonge sociale wetenschappen verkeerden in die jaren namelijk in dezelfde positie: van origine vooruitstrevend en geneigd tot een onafhankelijke en zakelijke studie van de samenleving en haar problemen, stonden ze onder de voortdurende druk van een machtig levensbeschouwelijk conservatisme.

    • J. A. A. van Doorn