Het keurslijf van de lok

Laatst was Harry van den Bergh weer even op de televisie. De eens zo luidruchtige socialist is nu voorzitter van de vereniging Veilig Verkeer Nederland en sprak het kabinet bestraffend toe. Maar daar gaat het me nu niet om. Het enige wat hier terzake doet, was dat het ronde hoofd van de PvdA'er nog altijd omkranst wordt door een bos lang haar. Het valt tot ver over de oren, net als een jaar of vijftien geleden toen dat nog mode was. Terwijl zijn eertijdse kameraden Harry van den Berg, Andre van der Louw, Koos Postema allang weer met de korte kuifjes uit hun jongensjaren rondlopen, heeft Harry van den Bergh zijn haar nog steeds lang. Niet dat zijn coupe een esthetisch genoegen is, maar ik vond het toch voor hem pleiten. Hij is niet ten prooi gevallen aan de modegrillen van het laatste decennium; voor hem was zijn haardracht ooit een teken van opstandigheid geweest en dat wil hij zo houden.

Er zijn er maar weinigen die, zoals Van den Bergh, de kracht hebben zich te onttrekken aan de haarmode. Het merendeel loopt er klakkeloos achteraan en in de meeste gevallen is nauwelijks meer na te gaan waar de laatste coupe vandaan komt. Dylan Jones, hoofdredacteur van het modieuze blad Arena, heeft er niettemin een poging toe gedaan; zijn boek Haircults bestrijkt de laatste vijftig jaar en beschrijft de ontstaansgeschiedenis van kippekont, spuuglok, atoomkuif, paardestaart, suikerspin en daarna alle stijlen waarvoor geen Nederlandse benamingen meer zijn verzonnen (het is alsof we het ten tijde van de Beatles hebben opgegeven; hun moptops zijn hier nimmer zwabbers genoemd en sindsdien hebben we de woorden uit het Engels overgenomen). Hoewel die herkomst lang niet altijd meer te vinden was, is het resultaat een vrolijke verzameling wetenswaardigheden zonder de pseudo-sociologie die veel geschiedschrijving over modeverschijnselen zo ondraaglijk pretentieus maakt.

Jones maakt er geen geheim van dat veel haarstijlen bij toeval tot stand kwamen. Neem de kippekont, het van twee kanten teruggekamde haar dat op het achterhoofd in elkaar werd gevouwen en daar zodoende een verticale gleuf vormde. De uitvinder blijkt een kapper in New York te zijn, die in 1940 aan het rommelen was op het hoofd van een blinde klant. 'Ik was gewoon wat aan het spelen, 'vertelde hij later. 'Ik had iets in mijn hoofd en ik ging ervan uit dat dat joch toch niet kon zien wat ik aan het doen was, dus ik bleef maar oefenen. En daarna kwamen er steeds meer jongens van Southern High (de naburige school) en die zeiden: he, dat ziet er fantastisch uit, dat wil ik ook.' Haarmodes, dat wordt duidelijk, hebben veel ellende op hun geweten. Ooit liet iemand zijn haar op een andere manier knippen en modelleren gewoon omdat dat praktischer was of opeens aardig stond of het best paste bij zijn soort haar. Maar dan kwamen de navolgers, die vaak heel ander haar hadden en de grootste moeite deden hun tegenstribbelende lokken in het nieuwe keurslijf te duwen.

Er staat een foto in het boek van Amerikaanse meisjes, die hun krullende haar met een strijkbout platstrijken omdat lang, losvallend haar halverwege de jaren zestig de aangewezen mode voor meisjes was. Vaak leidde dat tot brandplekken in het haar, zodat de schaar erin moest worden gezet en de bezitster weer wekenlang met een veel te kort kapsel rondliep. Een paar jaar eerder heerste de suikerspin, naar het voorbeeld van Dusty Springfield. Lang, tegengekamd haar dat met dikke lagen lak werd geboetseerd in een bolle, hoog opstaande vorm. Veel eigenaressen lieten het wekenlang zo zitten, het was veel teveel gedoe om het steeds los te maken, te wassen en weer in het gewenste model terug te brengen. In 1962 werd een meisje in Canton, Ohio door haar klasgenoten gewaarschuwd: er droop bloed in haar nek. Wat bleek? In de warmte van haar suikerspin hadden zich kakkerlakken genesteld, waarvan er af en toe een werd geplet op haar hoofdkussen.

Jones loopt de modes van de jaren vijftig en zestig chronologisch na: van vet- en atoomkuif (pluk haar steekt horizontaal boven het voorhoofd uit) via de brilliantineloze page-hoofdjes van de Beatles naar de lange lokken van de hippies. Tot zover kan elke nieuwe haarstijl nog worden gezien als een reactie, vaak zelfs een protest tegen de heersende mode. In de jaren zeventig begon de haarstijl bewust onderdeel te worden van een geprogrammeerd imago waarmee potentiele popsterren de aandacht wilden trekken. Dat is duidelijk bij vedetten als David Bowie en Bryan Ferry en overduidelijk bij Grace Jones en Boy George. Ook bij de Sex Pistols, de archetypische punk-idolen, was van toeval geen sprake meer. De puntige, in wisselende lengtes geknipte haren van voorzanger Johnny Rotten waren afgekeken van een foto, die Robert Mapplethorpe in 1974 maakte van Richard Hell van de Amerikaanse groep Television. Hell had zelf de schaar in zijn kapsel gezet en was in het wilde weg gaan knippen.

Een overzicht van vijftig jaar haarmode relativeert veel. Wat nu nieuw lijkt, is het zelden. Nog nooit in de geschiedenis zijn in zo korte tijd zoveel stijlen opgekomen en weer verdwenen. Het gevolg is de fragmentarisatie van dit moment. Alle hoofden op straat verwijzen naar kapsels die in Haircults voorkomen, want er valt bijna niets meer te verzinnen wat niet al eens is geweest. Veelal zijn het combinaties van eerdere modellen; het eclectische postmodernisme heeft ook op het hoofd postgevat. Alleen de protestfunctie is waarschijnlijk voorgoed verdwenen, nooit zal haar meer zo bedreigend zijn als de blauwzwarte kuif van Elvis Presley in 1956 of de ragebollen van de Rolling Stones in 1965. Zelfs van Harry van den Bergh kijkt niemand meer op.