DE GESCHIEDENIS VAN TUINEN EN PARKEN IN LONDEN; Groen door de eeuwen heen

'Tuinen zijn voor stadsbewoners geruststellend begrijpelijke en controleerbare oases in een wereld van 'snelle' vooruitgang en schijnbaar willekeurige vernietiging.'

Zo verklaart de tentoonstelling 'London's Pride' de toenemende belangstelling voor tuinen. Als dat waar is, dan moet Londen wel een bijzonder onbegrijpelijke en verwarrende stad zijn, want weinig steden zijn zo rijk aan parken en tuinen als de Engelse hoofdstad. Dat was in de negentiende eeuw al zo. Alleen al het uitgestrekte Regent's Park met zijn uitgestrekte gazons omzoomd door prachtige classicistische gele woongebouwen had een oppervlakte van 149 hectaren, terwijl bijvoorbeeld Parijs in totaal over 88 hectaren aan parken beschikte. Na 1815, toen de oorlog tegen Napoleon beeindigd was, groeide Londen explosief en werden veel van de in de voorgaande eeuwen aangelegde tuinen opgeofferd aan woningbouw. Regent's Park was een van de parken die toen werden aangelegd om het verlies aan openbare ruimten te compenseren. Men hoopte dat ook de 'lagere klassen' zouden gaan wandelen en sporten in plaats van te drinken en te gokken bij hondengevechten en bokswedstrijden.

De aanleg van de Victoriaanse parken Regent's Park, Victoria Park, Battersea Park, Crystal Palace Park en andere is het boeiendste onderdeel van de ambitieuze tentoonstelling 'London's Pride' in het Museum of London. Schilderijen, kaarten, boeken, foto's, kleding, tapijten, gedroogde bloemen, meubilair, tuingereedschap en tuinornamenten geven een overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van de Londense groenvoorzieningen van de Middeleeuwen tot nu. Hoogtepunt is het enig overgebleven exemplaar van de houten 'Chinese paviljoens', die in de achttiende eeuw, toen chinoiserieen in de mode waren, 's zomers in de tuinen werden geplaatst. De tentoonstelling gaat gebukt onder de eigen ambities. De makers willen een zo volledig mogelijk beeld geven van het groen in Londen door de eeuwen heen. Dat heeft heeft geleid tot een even indrukwekkend als verwarrend aantal onderwerpen. Er wordt niet alleen een overzicht gegeven van de parken, maar ook van de pleinen (Londense pleinen zijn groen), de vroegere 'market gardens' voor de voedselproduktie, de daktuinen, de volkstuinen, de achtertuintjes van de rijtjeshuizen, kruidentuinen en zelfs de plantenbakken die in de ramen staan zijn niet vergeten. En dat is nog niet alles, want de tentoonstelling laat ook zien hoe in de achttiende eeuw planten en bloemen in de interieurs werden opgenomen ('the house is full of plants and the garden full of furniture, 'merkte een tijdgenoot op) en wat de invloed van planten en bloemen was op de beeldende en toegepaste kunsten. Het zijn teveel onderwerpen. Ze worden allemaal even aangestipt en krijgen zelden de aandacht die ze verdienen. Het resultaat is kakelbont en chaotisch en als je het museum verlaat, lijkt Londen even een oase van rust.