Basisschool blijft volgens Wallage achter bij beleid

DEN HAAG, 5 juli Een op de drie basisscholen had eind 1988 in weerwil van het overheidsbeleid nog een aparte afdeling voor het kleuteronderwijs en een aparte lagere school.

Daardoor komt te weinig terecht van een ononderbroken leerproces van kinderen van zes tot twaalf jaar, een van de belangrijkste doelstellingen van de Wet op het basisonderwijs uit 1985. Dat schrijft staatssecretaris Wallage (onderwijs) in een evaluatie van de basisschool in de jaren 1985-1988, die hij gisteren naar de Tweede Kamer stuurde. Ook andere doelstellingen van de Wet zijn maar gedeeltelijk gehaald, aldus Wallage. Voor een gedifferentieerde benadering van jonge kinderen met uiteenlopende capaciteiten en moeilijkheden ontbreekt vaak nog de deskundigheid. De groei in de doorverwijzing naar het speciaal onderwijs zet dan ook door.

Ook hebben te weinig onderwijzers een specifieke opleiding gehad voor de omgang met kleuters. Wallage wil een verdere verslechtering voorkomen door de voormalige kleuterleidsters extra bescherming te bieden tegen ontslag. Bovendien verwacht hij een verbetering van het eerdere besluit om de bezuiniging op het onderwijs aan deze leerlingen terug te draaien.

Een andere nieuwe doelstelling van de Wet op het basisonderwijs was een grotere aandacht voor intercultureel onderwijs en emotioneel-creatieve vorming. In de praktijk blijkt de aanwezigheid van allochtone kinderen op de school te bepalen of er in de les daadwerkelijk aandacht wordt gegeven aan interculturele vorming. Ook expressieve vaardigheden bij bijvoorbeeld muziek en tekenen krijgen te weinig aandacht.

De resultaten van de invoering van het vak Engels op de basisschool zijn wel positief. In het voortgezet onderwijs wordt te weinig rekening gehouden met de opgedane vaardigheden. In 1992 zal opnieuw worden geevalueerd, maar dan door een externe commissie.