't Spijt me dat ik het steeds moet zeggen, ...

't Spijt me dat ik het steeds moet zeggen, Nederland is een lief land, het is nijver en dapper en wat niet al, maar het lijkt er wel elke dag 1 april. Tenminste, als je afgaat op de hoeveelheid kranteberichten over binnenlandse aangelegenheden waarvan je niet weet of ze je nu serieus moet nemen of niet.

Er is een tijd geweest dat ik dacht dat die indruk te maken had met het feit dat ik in een ander land verbleef. Dat het alleen maar een kwestie van cultuurverschillen en perspectiefverschuiving was waardoor Nederland zo'n exotische polder vol absurditeiten leek. Men hield zich in Nederland wel degelijk bezig met belangrijke zaken, veronderstelde ik, het waren alleen andere zaken. Het publieke debat werd er, meende ik, wel degelijk voortgestuwd zij het ietwat op de achtergrond door principes en gedachten van formaat.

Inmiddels begrijp ik het paspoortdebat en de zaak van de feestneus Smallenbroek gaven daarbij de doorslag dat er gewoon geen ander nieuws is dan 1 april-nieuws. Het touwtrekken om halve procenten, het ombuigen van een paar millimeter en het opkloppen van lucht vormen er het gist en de desem van de politieke discussie.

Alleen van affaires die geen affaires zijn laaien de hartstochten op.

Nu weer dat verhaaltje in de krant over de heren Talsma en Van Boven, een komisch duo dat lid is van de Eerste Kamer. (Ik noem ze maar geen senatoren, dat doet me nog sterker denken aan wandelende sigaren.) Het duo heeft de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie schriftelijke vragen gesteld omdat het enige tijd geleden het Binnenhof niet kon bereiken vanwege een actie van verpleegkundigen. Talsma en Van Boven voelden zich gehinderd in de uitoefening van hun democratische plichten.

Een brandende kwestie zonder vuur.

Ik zou zeggen dat zo'n protest-blokkade juist een uitstekende gelegenheid vormde voor heren die zich volksvertegenwoordigers noemen om eens in gesprek te treden met het volk en te luisteren naar grieven en verlangens. Zo zou het ook geen gek idee zijn om Kamerleden te verplichten enkele maanden per jaar zelf in de verpleging of in een moeilijke achterbuurt te werken. Men steekt op die manier nog eens wat op.

Maar Talsma en Van Boven hadden gewichtiger democratische plichten aan hun hoofd. Ze werden verwacht voor een gesprek met het staatshoofd van Cyprus. 'Ze moeten ons werk niet verhinderen!' brieste het duo. 'Weet u dat een blokkade jegens Kamerleden een van de zwaarste misdrijven is die je kunt plegen?' En de heren vroegen schriftelijk welke betekenis de minister hechtte aan het Wetboek van Strafrecht, 'dat onder meer het verhinderen van een lid der Staten-Generaal om een vergadering bij te wonen, bedreigt met een strafmaximum van levenslange gevangenisstraf'.

Een april. Gaat Cyprus ten onder wanneer het staatshoofd geen gesprek heeft gehad met Talsma en Van Boven? Ik dacht van niet. Is de democratie in gevaar omdat Talsma en Van Boven gehinderd werden in hun haast om uit de eerste hand nadere inlichtingen in te winnen omtrent, zeg maar, de Cyprusroute? Ik hoop van niet.

Ik denk eerder dat 't heren zijn van het type, dat in een hotel waar ze zelf hun koffer moeten dragen, tegen de juffrouw van de receptie uitroept: Weet u wel wie ik ben? Of die in het buitenland onmiddellijk met het ministerie van buitenlandse zaken bellen wanneer een arme schoenpoetser hen een kwartje teveel wil laten betalen. Wie niet onmiddellijk voor Talsma en Van Boven opzijgaat zal moeten boeten. Levenslang.

En het komt in de krant. Twee folkloristische heren met een autoriteitsprobleem dat ze voor een democratisch principe aanzien.