Sprintkracht van Olaf Ludwig heeft grenzen

MONT ST. MICHEL, 4 juli Het tiental Oostduitse wielrenners dat sinds de val van de Muur professional is geworden, heeft de beroepswielersport een extra dimensie gegeven. Hun drang naar aanvallend rijden deed het profpeloton de afgelopen maanden al regelmatig opschrikken. Olaf Ludwig behaalde dit seizoen de meeste overwinningen (9) en zijn landgenoot Uwe Raab was al zes maal eerste. Ze sprinten, volgens het stramien van het 'oude' DDR-wielersysteem, op basis van kracht. Amateuristisch misschien, maar het is wel pure topsport.

Met verbazing heeft de concurrentie al gesproken over de sprints van Ludwig. Over de manier waarop hij spotte met de wetten van een massasprint, over de manier waarop hij uit verloren positie terugsloeg en alsnog won. Van tactiek trekt hij zich weinig aan, hij vertrouwt op zijn kracht en zijn snelheid. En niemand kan zeggen dat de dertigjarige profdebutant daarmee geen succes heeft.

Dat Ludwig als amateur een sprinter met grote kwaliteiten was, daarvan getuigen zijn 36 ritoverwinningen in negen Vredeskoersen. Deze Tour de France van Oost-Europa werd zelfs driemaal door de renner uit Gera gewonnen. Maar de renners die door Ludwig werden verslagen, waren maar amateurs, was de alom heersende mening.

Nu hij eindelijk de Tour de France mag rijden zal Ludwig aantonen dat hij ook profsprinters kan verslaan. Maar de sprintkracht van Olaf Ludwig kent zijn grenzen. Hij kan niet in de laatste tien kilometer eerst een bonificatie-sprint (meetellend voor het puntenklassement) winnen, vervolgens een vluchter terughalen, op driehonderd meter voor de finish al op kop van het op volle snelheid liggende peloton rijden, stilvallen en opnieuw met succes aanzetten voor de beslissende 'jump'.

Verbazing

Met verbazing en bewondering reageerden verslaggevers, die de chaotische massasprint op de winderige dijk naar de Mont St. Michel hadden gezien, op Ludwigs antwoord op de vraag op welke plaats hij na zoveel inspanning dan nog was geeindigd. 'Derde? Maar dan was het wel een fantastische sprint van je.'

'Maar ik moest wel', antwoordde de Oostduitser, zich bijna verontschuldigend. 'Ik dacht Van Poppel nog wel zou komen. En toen ik Nijdam vlak voor de streep zag stilvallen en Van Poppel nog niet zag, ben ik nog maar een keer gegaan.' Tegen het geweld dat de Belg Johan Museeuw en de Italiaan Guido Bontempi in de slotmeters ontketenden, was Ludwig echter niet meer opgewassen. Het duo had de explosies van de Oostduitser en de gevechten tussen de andere sprinters aan het front koelbloedig afgewacht, ze kozen het juiste wiel en sloegen op het juiste moment toe. Een tactiek die Museeuw al eerder dit seizoen met succes had gevolgd. In de Driedaagse van de Panne had hij al een keer Ludwig verslagen en in de Vierdaagse van Duinkerken deed hij dat met Nijdam, Van Poppel en Vanderaerden.

Knecht

Museeuw zou weleens dezelfde weg kunnen volgen als zijn landgenoten Hoste in 1984 en Matthijs in 1985, die ieder driemaal in een Tour de gevestigde sprinters verrasten. De 24-jarige Belg ontdekte eigenlijk pas dit jaar zijn talent. Vorig jaar was hij nog een gewone knecht bij de ADR-ploeg van Eddy Planckaert en Greg LeMond. De afgelopen maanden rukte hij met een serie overwinningen en ereplaatsen in kleine wedstrijden op naar de dertiende positie in het FICP-puntenklassement, waarmee hij de hoogstgeklasseerde Belg is.

Het Tour-peloton kent dit jaar tal van gevestigde sprintersnamen: Van Poppel, Baffi, Nijdam, Planckaert, Bontempi, Hermans, Ludwig, Raab, Fidanza, Vanderaerden, Saitov en De Wilde. Wildwest-taferelen konden dan ook niet uitblijven toen het peloton zich bijna massaal aan de voet van Mont St. Michel meldde. Geen paradijs voor Van Poppel, die naarmate de jaren gaan tellen zich steeds eerder uit het veld laat slaan door duwende, trekkende en slaande concurrenten. Dat was ook de reden geweest waarom hij gisteren al snel zijn kansen op een allesverlossende zege uit handen liet nemen. 'Hij rijdt goed', meende zijn ploegleider Post. 'Anders zit hij niet voorin tijdens de finale. Het is bij hem gewoon een kwestie van zelfvertrouwen.' De ploeg van Post telt in de Tour liefst drie sprinters: Ludwig, Van Poppel en Planckaert. De laatste is bereid zich op te offeren voor de andere twee. Ludwig meende dat hij zonder problemen tot drie keer toe kan sprinten in tien kilometer en daartussendoor nog een vluchter kan terughalen, omdat de ploeg Van Poppel altijd nog achter de hand had. Nijdam is van oordeel dat Ludwig met zijn krachten smijt in een tussensprint. Ludwig lacht daarom. 'Dat kost me geen enkele moeite. Moet je zien wie daarin mijn tegenstanders zijn. Ik wil bovendien de groene trui behouden en winnen.'

Sponsorbus

De hele ploeg van Post (op kopman Rooks na) bereidde de sprint bijna voorbeeldig voor. Maar toen de finish in zicht kwam, haperde het voorspel. Niet alleen de stormachtige tegenwind op de dijk, maar vooral gezichtsbedrog zorgde voor enige verwarring. Nulens: 'Het was door die flauwe bocht moeilijk te zien waar de finish lag. Je zag in de verte een grote Coca Cola-auto, die normaal aan de eindstreep ligt. Maar die bleek driehonderd meter eerder te zijn gezet. Ludwig sprintte daar naar toe en lag daardoor zo vroeg op kop. Dat hij nog een keer ging, was onvoorstelbaar.'

Planckaert: 'Ik ben te vroeg van kop af gegaan. Later zag ik dat dat al op zeshonderd meter was.' Post wilde nog geen conclusies trekken uit de nederlaag. 'Ik kan niemand de schuld geven. Er is gedemarreerd en er is geduwd. Als je wilt winnen moet je ook geluk hebben. Dat geluk heeft Museeuw nu gehad. Maar hij is toch een goede sprinter.'

Het is de vraag of Post het daarbij zal laten. Getuige de kracht van Ludwig en de angst van Van Poppel zal hij er moeilijk omheen kunnen de Oostduitser aan te wijzen als de meest beschermde sprinter. Maar wat wil Ludwig? Nulens: 'Hij wil alles winnen, tussensprints, eindsprints en groene trui. Hij is zo verschrikkelijk ambitieus.'

Ludwig: 'Ik heb nooit gedacht nog eens de Tour te kunnen rijden. Misschien is het mijn laatste. Dit is mijn kans.'