NOG MEER ZORG

In de jaren vijftig en zestig schoten de hoofdzakelijk collectief gefinancierde kosten van de gezondheidszorg omhoog. De stijgende ziekenfondspremie stuwde de arbeidskosten op. In de jaren zeventig werden de nadelige gevolgen hiervan merkbaar. Onder invloed van de hoge arbeidskosten sloten steeds meer bedrijven de poorten. In 1974 bracht het kabinet-Den Uyl de Structuurnota Gezondheidszorg uit. Deze nota was doordrenkt van de opvatting dat de overheid de kostenstijging van medische diensten kon en moest beheersen door het aanbod van voorzieningen te reguleren en de tarieven van artsen en ziekenhuizen centraal vast te stellen.

De zorgsector doet inmiddels denken aan een Oosteuropese economie. Na vijftien jaar heeft de aanbodplanning geleid tot allerlei starheden en een grote uitvoerende bureaucratie. In 1987 bracht de commissie-Dekker een advies uit waarin een ingrijpende wijziging van het stelsel van ziektekosten werd bepleit. De markt zou weer een grotere rol moeten spelen. Per 1 januari 1989 is een eerste stap gezet om het systeem-Dekker in te voeren. Het politieke gekrakeel duurt echter nog onverminderd voort. Vooral de PvdA heeft moeite met de invoering van wat meer marktelementen in de zachte zorgsector. Afgelopen mei publiceerden de beide PvdA-bewindspersonen die op WVC zetelen een nota met hun blauwdruk voor het toekomstige stelsel van ziektekostenverzekeringen. Zij blijken tot Dekker bekeerd, zij het dat het derde kabinet-Lubbers over de oorspronkelijke voornemens een lichtroze sausje heeft gegoten.

D e Nederlanders besteden dit jaar in totaal 45 miljard gulden aan gezondheidszorg, gezinsverzorging en bejaardenzorg. Ruim drie kwart van dat bedrag wordt nu collectief gefinancierd, door verplichte premies voor het ziekenfonds en de AWBZ en door bijdragen ten laste van de rijksbegroting. Particulier verzekerden brengen krap twintig procent van de kosten op. Het is de bedoeling dat de zorg vanaf 1995 voor 85 procent wordt bekostigd via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Iedereen betaalt straks dertien procent van zijn inkomen als premie voor deze nieuwe basisverzekering, met een maximum van ongeveer 5.500 gulden. Daartegenover vervallen de premies voor het ziekenfonds en het grootste deel van de huidige particuliere premies. De opbrengst van de AWBZ-premie komt in een Centrale Kas en wordt uitgekeerd aan de ziektekostenverzekeraars, rekening houdend met omvang en kenmerken van hun verzekerdenbestand. De resterende vijftien procent van de zorg wordt straks betaald uit nominale premies (vaste bedragen per verzekerde) en eigen bijdragen. Verzekerden betalen de verschuldigde nominale premie direct aan hun verzekeraar.

Het kabinet rekent er op dat de verzekeraars in het nieuwe stelsel fel zullen concurreren om de gunst van de klanten, door gevarieerde polissen tegen zo laag mogelijke premies op de markt te brengen. Verzekeraars kunnen de kosten van de zorg, en dus de gevraagde premies drukken door met artsen en ziekenhuizen over tariefverlaging te onderhandelen. Wil een arts zijn tarief niet verlagen, dan sluit de verzekeraar geen contract met hem af. Dat kan, omdat de bestaande contracteerplicht vervalt. Zo wordt wellicht een rem gezet op de kostenstijgingen in de gezondheidszorg. Het is natuurlijk even goed denkbaar dat de aanbieders de rijen sluiten en hun sterke marktpositie uitbuiten om verzekeraars het vel over de oren te halen. Dan zullen de kosten van de gezondheidszorg - in strijd met de bedoelingen van het kabinet - juist extra stijgen.

O ok consumenten krijgen meer met het marktmodel te maken. Iedereen mag straks zijn eigen verzekeraar kiezen, omdat ook de verplichte verzekering in het ziekenfonds vervalt. Ziekenfondsen moeten voortaan net zoals particuliere verzekeraars dingen naar de gunsten van de klant. Alle verzekeraars zijn verplicht iedereen te accepteren, om te voorkomen dat slechte risico's worden geweerd. Wanneer een verzekeraar bejaarden mag weigeren, is het immers niet moeilijk om jonge en gezonde klanten met lage premies te lokken. Verzekeraars mogen voor een bepaald verzekerd pakket uitsluitend een uniforme premie vragen. Ook hier is risicoselectie dus uitgesloten.

Doordat consumenten in het nieuwe stelsel meer vrijheid hebben zelf het verzekerde pakket samen te stellen, zal de zorgvraag waarschijnlijk toenemen. Ook dan zullen - in strijd met wat het kabinet nastreeft - de kosten van de zorg door de gedeeltelijke overstap op het marktmodel juist stijgen in plaats van dalen, omdat artsen en ziekenhuizen door een versoepeling van de op aanbodbeperking gerichte wetgeving meer armslag krijgen om hun voorzieningenaanbod af te stemmen op wat consumenten blijkbaar willen.

Het nieuwe stelsel leidt tot meer solidariteit bij de ziektekostenverzekeringen. Vooral de koopkracht van kleine zelfstandigen (zeven tot elf procent) en particulier verzekerde bejaarden met een gering inkomen (vijftien tot twintig procent) verbetert. Alleenstaanden en tweeverdieners met een behoorlijke baan in het bedrijfsleven of bij de overheid gaan er in veel gevallen twee tot vijf procent in koopkracht op achteruit. De minimumloner en de modale kostwinner (42.000 gulden bruto per jaar) verliezen een procent koopkracht, door de hogere nominale premie en eigen bijdragen. Dat laatste is voor de PvdA een onoverkomelijk probleem. Het kabinet stelt koopkrachtreparatie in het vooruitzicht, maar onduidelijk is nog welke vorm deze compensatie krijgt en hoe zij zal worden gefinancierd.

De kosten van de zorg zijn in Nederland in verhouding hoog (9,4 procent van het nationale inkomen). De kabinetsvoorstellen beogen de kosten te drukken maar het omgekeerde wordt bereikt, doordat vraag en aanbod worden ontremd: nog meer zorg.