Gipsen helden van de nieuwe orde

KOZLOWKA, 4 juli Het kasteel van Kozl'owka is er plotseling, het doemt op uit het niets. Kozl'owka ligt in Oost-Polen. Bouwland, keuterboeren; een auto is, als je van de grote weg naar Lublin af gaat, hier al iets bijzonders: kinderen komen er de huizen voor uit, oude vrouwen blijven ervoor staan. Op de wegen boerenkarren en honden. Velden met koolzaad. Hop slingert zich omhoog aan tussen palen gespannen draden. Paarden sjokken vermoeid voor een primitieve ploeg uit. Als de voor is voltooid wordt geen draai getrokken, de boer tilt de ploeg op en loopt om het paard heen, het draait braaf mee. Keuterboertjes, de kleinste van Polen.

Dit is de vlakte van Lubart'ow. De dorpen heten Ryki ('Geloei') en Pociecha ('Troost'). Arm land, slechte grond. Eindeloos land. Verder naar het oosten liggen de moerasgebieden van Polesi'e, ligt ook Sobibor, ligt de Russische grens, en daarachter nog meer moeras, honderden vierkante kilometers moeras.

En hier dat kasteel, midden in het niets, omringd door bos: een gietijzeren hek, met het wapenschild, de drie gekruiste lansen, met daarboven een kroon, en daar weer boven een steigerende geit. Het is het wapenschild van de Zamojski's, een van de adellijke families die Polen eeuwenlang hebben geleid; steenrijke geslachten die Polen van ministers en magnaten, kanseliers en hetmans en koninklijke gouverneurs en koninklijke secretarissen hebben voorzien, die eeuwenlang hun kinderen aan de beroemdste universiteiten van West-Europa lieten studeren en die soms dozijnen steden en honderden dorpen bezaten, staten in de staat. Het bezit van de Zamojski's was ooit half zo groot als Nederland. Zevenhonderd jaar geleden werd een Zamojski tijdens een veldslag door drie lansen tegelijk doorboord. De koning kwam langs en vroeg hoe hij zich voelde, waarop die Zamojski zei: 'Het doet minder pijn dan een slechte buurman'.

Hij overleefde de slag, en sindsdien voert het prinsengeslacht Zamojski drie lansen in het wapen, en het motto dat op dit hek onder het wapen staat: 'To Mniey Boli' Het Doet Minder Pijn.

Het kasteel zelf is een museum, het dateert uit 1740. Volgens conservator Jacek Szczepaniak is het het beste bewaarde paleis in zijn soort. Alleen de kostbaarste stukken zijn verloren gegaan. Die werden in 1939 door de eigenares in Warschau in veiligheid gebracht. Ze was bang voor de Russen, maar in 1944 zijn ze vernietigd tijdens de Warschause Opstand. Verder is de inventaris er nog: honderden schilderijen, meubels, kandelaars, gobelins, klokken, de oude bibliotheek. De laatste Zamojski is hier twee weken geleden voor het eerst sinds de oorlog geweest. Hij woont nu in Canada, als hij zou willen zou hij van het nieuwe bewind het kasteel kunnen terugkrijgen, met de kunstcollecties, het park a la Versailles dat achter het kasteel ligt. Maar hij kan dat alles niet onderhouden. Hij wil hier wel weer wonen, maar is tevreden met een kamer.

Het kasteel van Kozl'owka is ook het grootste depot van socialistisch-realistische kunst, misschien op die van het Pools Nationaal Museum na. Die van staatswege opgelegde kunstvorm met al zijn ideologische propaganda en arbeidersheroiek, die overal in Oost-Europa na de machtsovername door het socialisme de norm werd, heeft in Polen minder lang geduurd dan bijvoorbeeld in de DDR en Tsjechoslowakije, laat staan de Sovjet-Unie: al in 1955 begon de officiele liefde voor stoere proletariers, blonde melkmeisjes en gelukkige boeren in de kunst te tanen, en in 1966 was het gedaan. Stalin was toen al van zijn sokkel en van de muren gehaald, later volgden geleidelijk ook de andere helden van het nieuwe systeem: Dzjerzjinski, Pool en grondlegger van wat nu de KGB heet; Boleslaw Bierut, Polens eigen Stalin.

Wat her en der werd verwijderd, werd naar Kozl'owka gebracht en opgeslagen. De collectie wordt nog steeds aangevuld, met beelden van Lenin bijvoorbeeld.

Szcepaniak leidt zijn bezoekers naar een zes meter hoog standbeeld van Bierut tussen de bomen. Het is laatst in Lublin van zijn sokkel getild en onderweg is er iets misgegaan: de uitgestrekte arm heeft een viaduct geraakt en is afgebroken. Hij laat de arm zien, in het gebouw waar het beeldhouwwerk van het socialisme ligt een reusachtige arm is het, zwart en heel dood.

Men vindt er koppen van Stalin en Lenin, Marx en Engels, Ho Chi Minh en Castro, zelfs van de Noord-Koreaanse partijleider Kim Il Sung. Men vindt er heldhaftige mijnwerkers, de lamp fier geheven; de door het kolonialisme geketende negerin, je vindt er Mao en Dzjerzjinski en zelfs Beethoven, van het voorbije Beethovenjaar, toen heel Polen Beethovenbeelden is gaan maken. Copernicus kijkt peinzend naar het plafond. En Julius en Ethel Rosenberg zijn er, ook zij.

Een van de vele Stalins was ooit bestemd voor het Cultuurpaleis. Maar de 'Grote Roerganger' houdt het hoofd wat gebogen en is daarom afgekeurd. Stalin was nooit treurig. Weinig is hier van marmer, weinig van brons, veel van gips. Het waren beelden, zegt Szczepaniak, die vaak voor competities werden gemaakt. Alleen de winnende beelden werden in brons gegoten. Tijdens de bloei van het socialistisch-realisme werd veel gemaakt ter gelegenheid van herdenkingen en verjaardagen, haastwerk vaak, vandaar het gips.

Szczepaniak: 'Het socialistisch-realisme heeft hier nooit wortel geschoten. Er is nooit sprake geweest van de eenheid van vorm en inhoud die het in de Sovjet-Unie wel heeft bereikt. We deden wat de Russen deden: ze kopieerden het realisme van de negentiende eeuw en gaven het een socialistische inhoud. Ons is dat nooit goed afgegaan. Onze kunstenaars van de jaren vijftig waren opgevoed en opgeleid voor de oorlog en vertegenwoordigden verschillende richtingen: het constructivisme, het expressionisme, het postimpressionisme. Overschakelen was moeilijk.' Sommigen hebben het wel geprobeerd, zegt hij, maar niet serieus. Om aan de ideologische norm te voldoen schilderden ze een paar tractoren op hun landschap en gaven het geheel een naam waar het woord staatsboerderij in voorkwam. Dan was iedereen tevreden. Maar socialistisch-realisme was het niet en werd het niet. Na 1955 zijn ze weer teruggekeerd naar hun oude stijl. Er is maar een handvol socialistisch-realistische kunstenaars overgebleven, die vooral werkten in opdracht van het ministeie van defensie en het Oorlogsmuseum.

In een ander gebouw bevinden zich de schilderijen, honderden, van miniaturen tot gigantische doeken. De conservator verontschuldigt zich: de mooiste doeken zijn in Warschau, waar een tentoonstelling wordt gehouden. Het socialistisch-realisme raakt weer in: de dappere en boze arbeiders in hun strijd tegen het kapitalisme; moeders die rouwen om zoons die hun leven gaven bij de vestiging van het nieuwe systeem; vrolijke pioniers met wapperende halsdoek; Stalin pijprokend op een heuvel; Stalin als jongeman naast Lenin; Stalin peinzend achter zijn bureau. Bierut, met links achter zich ruines en rechts frisgewitte gebouwen. Dzjerzjinski als samenzweerder: een zeer vastbesloten jongeman die inpraat op twee arbeiders, Dzjerzjinski als leider van een gevangenisopstand: dezelfde man, nu met een rode vlag in de hand. 'Hier staan', zegt Szczepaniak, 'een paar van onze grootste schilders van die tijd, zoals Alfred Lenica, die zich heeft bezondigd aan een Jonge Bierut met Arbeiders en Jerzy Tch'orewski, die zich na 1955 tot abstract werk heeft bekeerd.' Het socialistisch-realisme had een voorkeur voor lange titels. Hoe langer hoe beter. Hij haalt een schilderij uit een rek, je ziet Stalin met een boer en wat kreupelhout, en leest de titel voor: 'Jozef Stalin wordt in 1912 bij het dorp Michalowice, lopend langs de grens, op weg naar Krak'ow, de weg gewezen door een Poolse boer.'

Hij toont een ander schilderij: Polonaise in as-dur in de smidse van de staalfabriek Kosciuszko in Chorz'ow, gespeeld door de pianist Wladyslaw Kedra.

In een ander bijgebouw van het paleis huist de school van Kozl'owka. Drie boerenkinderen komen naar buiten: twee hebben behalve hun schooltas ook een schoffel bij zich. Ze zijn op weg naar het veld, uant achter het bos rond het rijke paleis liggen tenslotte nog steeds de eindeloze velden van de vlakte van Lubart'ow. De velden van de kleinste boertjes van heel Polen, met hun koeien aan een touwtje en hun autoloze wegen en hun dorpen van hout.

    • Peter Michielsen