DE WISSELKOERS VAN DE SPIJKERBROEK

Met de val van de Berlijnse Muur en het wegknippen van het IJzeren Gordijn is een nieuwe vakantieregio ontdekt. Vele harde vakantieguldens zullen dit jaar worden gewisseld tegen Hongaarse forinten, Poolse zloty's, Roemeense lei en Tsjechische kronen.

Hoe hard is de gulden? Met andere woorden: wat kopen we voor ons geld in het buitenland? Een prijsvergelijking van een standaardprodukt, de Levi 501 spijkerbroek, biedt uitkomst. Evenals vorig jaar luidde de vraag aan buitenlandse correspondenten en medewerkers van NRC Handelsblad: hoeveel kost een Levi 501 spijkerbroek in uw standplaats? Dit klassieke model van James Dean is overal ter wereld bekend en meestal wijkt de verkoopprijs niet af van de adviesprijs.

In de Verenigde Staten, het land waar Levi Strauss in 1850 tijdens de Gold Rush een broek uit tentdoek voor goudzoekers introduceerde, is de spijkerbroek het goedkoopst. (Vorig jaar stonden de VS nummer twee op de lijst, na India, de nummer twee van dit jaar). Voor de prijs van een Nederlandse kunnen twee Amerikaanse Levis 501 worden gekocht en houdt de koper nog bijna achttien gulden over.

Evenals vorig jaar is in de Sovjet Unie de Levi 501, die nog steeds alleen via de zwarte markt kan worden gekocht, verreweg het duurst. De prijs is ongeveer tien keer zo hoog als in de VS. In Roemenie, Tsjechoslowakije en Hongarije liggen de prijzen aanzienlijk boven, in Polen aanzienlijk beneden de Nederlandse prijs. Dat komt door de enorme devaluatie van de zloty, die de regering-Mazowiecki in het kader van het Poolse saneringsprogramma heeft doorgevoerd. Bovendien zijn in Polen alle importbeperkingen afgeschaft. In West-Europa liggen de prijzen allemaal min of meer op hetzelfde niveau als in Nederland.

De wisselkoers geeft de verhouding aan tussen de munteenheid van een land en die van een ander land. Als de waarde van bij voorbeeld de gulden zich correct verhoudt tot de waarde van de D-mark, dan moet een Nederlander in eigen land met een gegeven hoeveelheid guldens hetzelfde kunnen kopen als in Duitsland na omwisseling van de guldens in Duitse marken. Dit is de theorie van de koopkrachtpariteit: de wisselkoers tussen twee valuta is correct wanneer een bepaald produkt - na verrekening van de wisselkoers - in beide landen ongeveer hetzelfde kost. De koopkrachtpariteit is te berekenen door de Nederlandse prijs te delen door de prijs in lokale munt. Als het resultaat van die deling gelijk is aan de wisselkoers, is er sprake van een volmaakte pariteit. Afwijkingen van de koers naar boven of beneden betekenen een onder- respectievelijk overwaardering van de gulden.

Het referentiepunt van de NRC Handelsblad spijkerbroekenstandaard bevindt zich op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam. Conform de prijsopgave van de importeur Levi Strauss Nederland kost de Levi 501, gewone wassing, 149,95 gulden (de extra gebleekte uitvoering is een tientje duurder). Een prijsstijging van 7,2 procent ten opzichte van vorig jaar, terwijl de gemiddelde inflatie in de periode mei 1989 - mei 1990 niet meer dan 2,2 procent bedroeg. Saillant is dat ongeveer tweehonderd meter verderop een marktkoopman de Levi 501 aanbiedt voor 99,95 gulden. Vijftig gulden verschil, hoe kan dat? 'Ach u weet wel, een speciaal partijtje.' In de Bondsrepubliek is de adviesprijs van een Levi 501 139 D-mark. Delen we nu de guldenprijs door de prijs in D-mark, dan komen we op een koopkrachtpariteit van 1,08. De wisselkoers van een D-mark is 1,13 gulden. Dit betekent dat de D-mark 4,6 procent is overgewaardeerd ten opzichte van de gulden; hetzelfde percentage als een jaar geleden.

Zwarte handel

In sommige Oosteuropese landen doen zich met de spijkerbroekenstandaard problemen voor, zoals in Roemenie en de Sovjet-Unie. In deze landen wordt de 'echte' Levi 501 uitsluitend via het zwarte marktcircuit verhandeld. Voor de theorie van de koopkracht maakt dat niet zoveel uit: als er in een land een zwarte markt voor spijkerbroeken is, is er gewoonlijk ook een zwarte markt voor valuta. De hoge spijkerbroekenprijs weerspiegelt dan de kunstmatig hoge officiele koers.

Dat klopt. Omgerekend in guldens is de Levi 501 in de Sovjet-Unie en Roemenie het duurst. Ook volgens de 'hamburgstandaard' van The Economist aan de hand van de prijs van een Mc Donald's Big Mac berekent het Britse weekblad jaarlijks de koopkrachtpariteit is de roebel volgens de officiele koers de meest overgewaarde munt. Als president Gorbatsjov en president Iliescu besluiten om hun valuta vrij verhandelbaar te maken, staan de munten een devaluatie van ruim 350 en 220 procent te wachten.

In Hongarije en Tsjechoslowakije is de Levi 501 in sommige speciaalzaken te koop; in beiden landen ligt de prijs ongeveer vijftig gulden boven de Nederlandse. In Praag heeft een medewerkster van NRC Handelsblads valutateam de theorie van de koopkrachtpariteit in praktijk gebracht en een verblijf van een week in een hotel (halfpension) betaald met haar Levi 501 (een jaar oud). In vergelijking met vorig jaar is alleen de pariteitverhouding tussen de gulden en de D-mark stabiel gebleven; een compliment voor bankpresident Duisenberg die streeft naar een koppeling tussen de twee munten. De gulden is licht ondergewaardeerd ten opzichte van de Belgische frank; in tegenstelling tot vorig jaar toen de Nederlandse munt nog licht was overgewaardeerd. In vergelijking met vorig jaar beweegt de Belgische munt zich in de richting van de D-mark. Dat is geen verassing, want medio juni maakte de Belgische premier Martens bekend dat de frank formeel aan de D-mark wordt gekoppeld. Binnen het Europese Monetaire Stelsel zijn nu de gulden, de Belgische en Luxemburgse frank verankerd met de Duitse munt. Dat maakt de overgang naar een Europese munt een stuk gemakkelijker. Het Britse pond (thans nog niet, maar volgend jaar vermoedelijk deelnemer aan het EMS) is dichter naar de correcte waarde gekropen.

Opvallend is dat de Japanse yen volgens de spijkerbroekenstandaard ruim 36 procent is ondergewaardeerd ten opzichte van de gulden. Vorig jaar was dit bijna vijftien procent. In het Verre Oosten blijft India de goedkoopste plaats om spijkerbroeken in te slaan.

De spijkerbroekenstandaard geeft slechts een indicatie omtrent de correcte waarde van de wisselkoers. En binnen de economische theorie is de koopkrachtpariteitentheorie niet onomstreden. De grootste tegenstanders zijn de aanhangers van de monetaristische wisselkoerstheorie. Deze theorie gaat er van uit dat de wisselkoers een instrument is om tekorten of overschotten op de betalingsbalans van landen tot een evenwicht te brengen. Landen met een betalingsbalanstekort, zoals de Verenigde Staten en Groot-Brittannie, moeten hun munt dus in koers laten zakken, terwijl de munten van overschotlanden, zoals Japan, Nederland en West-Duitsland, in waarde moeten stijgen. Dit standpunt staat haaks op de uitkomsten van het spijkerbroekenonderzoek.

Niettemin: in vergelijking met de 501-standaard kruipen de Westeuropese wisselkoersen naar elkaar toe. En landen die nog streng in de leer van de planeconomie zijn, hebben een wisselkoers die ver van de correcte waarde ligt.

    • Cees Banning