DE DUBBELROL VAN BELASTINGPROFS

Wetenschap versus het belang van de client Op de universiteiten zijn nog maar weinig hoogleraren te vinden die vanuit puur wetenschappelijke inspiratie de belastingwetenschap beoefenen. De meesten zijn parttimer en hebben er een lucratieve adviespraktijk bij. 'Het aantal hoogleraren dat echt onafhankelijk is, kun je op de vingers van een hand tellen.'

Ook de confrontatie tussen overheid en de fiscale advieswereld wordt steeds harder. Adviesbureau's zien hun medewerkers niet graag richting overheid vertrekken, om staatssecretaris te worden bij voorbeeld. 'We zijn geen duiventil.' Begin vorig jaar belandde bij de voorzitter van de Tweede Kamer een brief van vier fiscaal hoogleraren op het bureau. Zij beklaagden zich erover dat belastingspecialist mr. Th. Vreugdenhil (CDA) het had gewaagd bij het debat over het 'plan-Oort' onaangekondigd een amendement door de Kamer te jagen, waardoor over uitgekeerde agioreserves (de fiscale reserve die ontstaat door plaatsing van aandelen boven de nomiale waarde) van Nederlandse dochtermaatschappijen dividendbelasting moest worden betaald. Volgens de hoogleraren was het ongepast dat Vreugdenhil het debat over 'Oort' had aangegrepen om even tussendoor een heel ander fiscale kwestie te regelen. Vreugdenhil beet fel van zich af. Het was hem 'opgevallen' dat drie van de vier professoren verbonden waren aan een belastingadviesbureau. Hij kon zich ook 'niet aan de indruk onttrekken' dat belastingadviseurs in het verleden nogal wat adviezen hadden uitgebracht aan goed betalende clienten, in de veronderstelling dat de belastingregeling onaangetast zou blijven. Tussen Vreugdenhil en de hooggeleerde belastingadviseurs zal het nooit meer goedkomen.

Lucratief

Was de vraag die de fiscaal specialist van de CDA-fractie opwierp werkelijk zo vreemd? Een groot deel van de belastinghoogleraren is parttimer en heeft er een lucratieve belastingadviespraktijk bij. Het zijn juist deze professoren die in de vakpers tamelijk luidruchtig hun ongenoegen uiten over onzorgvuldige wetgeving. 'Het klinkt onaangenaam, maar hun kritiek is er vaak te zeer op gericht de mogelijkheden te behouden om aan belastingheffing te ontsnappen', zegt professor mr. H. J. Hofstra. De onomstreden 85-jarige emeritus hoogleraar was zelf een van de ondertekenaars van de brief over het amendement van Vreugdenhil. Maar voor hem was het een 'principieel en niet een commercieel standpunt'.

De Tilburgse emeritus hoogleraar dr. J. E. A. M. van Dijck, aan wiens onafhankelijkheid door de fiscale wereld al evenmin wordt getwijfeld, meent dat de fiscale adviseurs wat meer 'public spirited' zouden moeten worden. Het PvdA-Kamerlid dr. W. Vermeend vindt de publicaties van de hoogleraren/adviseurs vaak 'te eng fiscalistisch'. 'Soms worden gewone adviezen gepresenteerd onder het mom van wetenschap.' Financieel gewin is zeker niet de minst belangrijke reden dat op de universiteiten nog maar weinig fulltime hoogleraren zijn te vinden die vanuit een puur wetenschappelijke inspiratie de belastingwetenschap beoefenen. De door bezuinigingswoede getroffen universiteiten sturen er soms zelfs bewust op aan een hoogleraar te krijgen die ook voor een gerenommeerd belastingadviesbureau werkzaam is. Immers, dat bespaart heel wat kosten. Een hoogleraar verwoordt het zo: 'Bij mijn entree aan de universiteit zei het college van bestuur dat ik helemaal geen salaris nodig had, omdat ik advieswerk kon doen.' Maar ook de belastingadvieskantoren is er veel aan gelegen een van de medewerkers op een hoogleraarsstoel te krijgen. Wat is er mooier dan de naam van een echte professor die op het briefpapier van de maatschap prijkt? Het kantoor ontleent er gezag en prestige aan.

Onderwijskundig valt er misschien wel wat te zeggen voor de hoogleraar die met een been in de fiscale advisering staat. 'Het aardige van een part-time hoogleraar is dat hij zijn studenten de theoretische problemen kan uitleggen aan de hand van zijn eigen praktijk. Zo kan ik ze precies vertellen wat voor standpunten het ministerie van financien in specifieke kwesties inneemt. Een fulltime hoogleraar komt dat soort dingen niet gauw tegen, want niet alles staat in openbare resoluties. Je kunt de studenten zo wat meer inzicht geven in het gebeuren', zegt professor dr. D. Juch. Hij is voor drietiende van de week hoogleraar in Tilburg en de resterende tijd voorzitter van de maatschap Loyens en Volkmaars belastingadviseurs.

Hoe dun is de scheidslijn tussen de hoogleraar en de adviseur? Het blijkt een gevoelige vraag in de wereld van fiscalisten. Ook fiscaal hoogleraren worden immers geacht onafhankelijke en vrije wetenschap te bedrijven. Zij laden niet graag de verdenking op zich dat hun wetenschappelijke publicaties zijn ingegeven door de belangen van hun clienten. Te bewijzen valt het moeilijk. Interessanter lijkt daarom de vraag of de hoogleraar/belastingadviseur zich van bepaalde publicaties onthoudt. Een hoogleraar spreekt dat verontwaardigd tegen. 'Dat speelt bij mij absoluut geen rol. We hebben allemaal belang bij een goede belastingwetgeving. Belastingadviseurs zijn meer gebaat bij een heldere wet dan bij een wet waarin gaten zitten.'

Onvolkomenheden

Enkele van van zijn collega's zijn heel wat minder stellig. 'Je kunt natuurlijk wel eens in conflict komen', erkent Juch. 'Stel dat er in een wet gaten zitten, waarvan je clienten profiteren. Als je erover gaat schrijven, moet je er rekening mee houden dat die gaten worden gedicht. Aan de andere kant, als ik er niet over schrijf, dan doet een ander het wel.'

Juch schreef een paar jaren geleden wel over enkele mazen en onvolkomenheden in het wetsvoorstel over de deelnemingsvrijstelling, maar op dat onderwerp was hij dan ook gepromoveerd.

Uitspraken van de Leidse hoogeleraar mr. C. J. Langereis, zelf belastingadviseur- en advocaat bij het kantoor Stibbe, Blaisse en de Jong, laten nog minder aan duidelijkheid te wensen over. 'Het aantal fiscaal hoogleraren dat echt onafhankelijk is, kun je op de vingers van een hand tellen. Grote clienten hebben eigen fiscale afdelingen. Die lezen alles wat je schrijft. Je bent die client dus gewoon kwijt.'

Langereis antwoordt dan ook bevestigend op de vraag of hij zich van publicaties onthoudt die de belangen van zijn clienten kunnen schaden. En anderen doen dat volgens hem ook. Als voorbeeld noemt hij de zogenoemde Duitse hypotheken. Dat zijn leningen met onderpand vanuit de Bondsrepubliek aan Nederlandse debiteuren. Op grond van het Nederlands-Duitse belastingverdrag wordt de ontvangen rente noch in West-Duitsland noch in Nederland belast, terwijl de betaalde rente hier uiteraard gewoon aftrekbaar is. De regeling heeft volgens Langereis geleid tot een miljardenstroom van goedkope leningen in D-marken, waarbij Nederlandse banken als tussenschakel optreden. Pas enkele maanden geleden werd Financien na Kamervragen op de zaak geattendeerd.

'Ik heb er voordien nooit een duidelijke publicatie over gezien. Ik denk dat degenen die het wisten, zelf met zo'n constructie bezig waren. Waarom zou je ook slapende honden wakker maken?' De tegenstelling tussen overheid en fiscale adviespraktijk heeft zich aanzienlijk verhard. Dat heeft voor een deel te maken met de veranderde achtergrond van de fiscale adviseurs. De advieskantoren recruteerden hun medewerkers voorheen vrijwel uitsluitend uit belastinginspecteurs. Tot 1963 was de Rijksbelastingacademie zelfs het enige opleidingsinstituut op het gebied van het belastingrecht. De fiscaal adviseurs in spe worden tegenwoordig zo van de universiteit geplukt. Deze jonge garde heeft de Belastingdienst nog nooit van binnen gezien. De toenemende ingewikkeldheid van de belastingwetgeving levert ook steeds meer munitie voor conflicten tussen overheid en de advieskantoren.

De andere kant

Hoe scherp beide tegenover elkaar kunen staan, merkte oud-staatssecretaris professor mr. A. Nooteboom. Hij maakte jarenlang deel uit van de maatschap van Loyens en Volkmaars. Gewapend met de kennis uit zijn adviespraktijk voerde Nooteboom als staatssecretaris (van 1977 tot 1980 in het eerste kabinet Van Agt) met even grote hardnekkigheid de oorlog aan de andere kant van de loopgraaf. Zijn staatssecretariaat dreunt nog na in fiscaal Nederland. Nooteboom pakte fiscale constructies genadeloos aan. Ook kreeg de fiscus meer wettelijke bevoegdheden. Zelden was de Belastingdienst zo'n geinspireerd apparaat.

Onder de belastingadviseurs was de waardering minder groot. De relatie tussen Nooteboom en Loyens en Volkmaars (waar de oud-staatssecretaris een jaar voor de aanvaarding van de kabinetspost al was vertrokken) is nog steeds niet geheel hersteld. De oud-staatssecretaris heeft zich nogal opgewonden over een resolutie die kort na zijn aantreden door de maatschap werd aanvaard. Hierin stond, zo kwam hem ter ore, dat de vervulling van openbare functies als die van staatssecretaris van financien in strijd is met het belang van de maatschap. Nooteboom: 'Ze hebben door mijn activiteiten natuurlijk een aantal clienten verloren.'

Juch verheelt niet dat hij met weinig vrolijke gevoelens terugdenkt aan het staatssecretariaat van de vroegere vennoot. 'Ik was het niet eens met zijn aanpak, maar verder wil ik er niet al te veel over zeggen. Het is meer dan tien jaar geleden.' Een ding is wel duidelijk, de belastingadviesbureaus zullen er alles aan doen om een nieuwe desertie naar het vijandelijke kamp te voorkomen. Bij Loyens en Volkmaars geldt voor de vennoten al enkele tientallen jaren een opzegtermijn van een jaar of langer. Het is sinds 1981 nooit meer gelukt een fiscalist uit de advieswereld als staatssecretaris te strikken. En dat heeft zeker niet alleen met de relatief karige beloning te maken. Toen negen jaar geleden bij een ander groot belastingadviesbureau een vennoot werd benaderd om Nooteboom op te volgen, werd de betrokkene op zijn opzegtermijn gewezen. En die was langer dan de voor een kabinetspost gebruikelijke bedenktijd van 24 uur. 'Ik zou het kantoor voor het gerecht hebben gedaagd', zegt Nooteboom. Speelt het publieke belang dan geen enkele rol in de overwegingen van een belastingadviesbureau? Juch: 'Wij zijn hier met ruim veertig vennoten en honderden andere werknemers. Daar zijn we met z'n allen verantwoordelijk voor. Ook voor de grote groep clienten dragen we de verantwoordelijkheid. De vennoten die voor zoiets als een staatssecretariaat worden gevraagd zijn natuurlijk niet de eerste de besten. En als iemand wil vertrekken, moeten we nu eenmaal tijdig maatregelen kunnen nemen ten aanzien van de overdracht van clienten en alles wat ermee samenhangt. Als je een uitzondering maakt, is het eind zoek. We zijn geen duiventil.'

Advocaat

In 1977 bleek het voor Financien al even moeilijk een fiscaal advocaat te vinden, die de overheid in principiele belastingzaken voor de Hoge Raad kon verdedigen. 'Pas na een aantal weigeringen lukte het me', herinnert Nooteboom zich. Hij had zelf het initiatief genomen om de fiscus van een pleiter in hoger beroep te voorzien. Daarvoor verweerde Financien zich alleen schriftelijk. Uiteindelijk werd professor mr. F. W. G. M. van Brunschot (thans belastingadviseur en advocaat bij Stibbe, Blaisse en De Jong) bereid gevonden de functie te vervullen. Dat viel slecht bij de Orde van Belastingadviseurs. Van Brunschot kreeg te verstaan dat hij een lidmaatschap van de orde kon vergeten, omdat hij voor de staatssecretaris had gepleit. 'Dat is vreemd voor iemand als ik wiens cultuur en belevingswereld die van de advocatuur is', zegt hij. 'Het is ondenkbaar dat onze clienten weglopen, wanneer ik de belangen van de staatssecretaris verdedig. Wij zijn tenslotte ook een algemeen advocatenkantoor.' Volgens Van Brunschot zou Financien ook zelf de kloof met de belastingadvieskantoren enigszins kunnen overbruggen. 'Waarom huurt men niet vaker externe adviseurs in bij de voorbereiding van de wetgeving? Mensen uit de advocatuur en de wetenschap. Ik heb het wel eens voorgesteld, maar Financien wil er niet aan. Wat dat betreft is men net zo 'narrow minded' als de belastingadvieswereld.' Zijn kantoorgenoot Langereis, ook enkele jaren pleiter voor de staatssecretaris, wijst op Amerika. De tegenstelling tussen belastingadviseur en overheid zijn er minder scherp. De belastingadviseur is er dan ook verbonden aan een advocatenkantoor. Langereis: 'Ik was onlangs bij het grote advocatenkantoor Skadden Arps Slate Meager en Flom in New York. Daar vertelde men vol trots dat het kantoor de 'Commissioner' van de Belastingdienst had geleverd. Die functie kun je vergelijken met onze staatssecretaris. Bij Willkie Farr en Gallagher staat een vitrine in de hal die eraan herinnert dat grondlegger Willkie in de jaren dertig presidentskandidaat is geweest. Dat is daar een geweldige aanbeveling voor het kantoor'.

Of het hier ooit zover komt is twijfelachtig. Juch ziet er in elk geval weinig heil in. 'Iemand die ambities heeft in de politiek, moet bij ons geen vennoot worden.'