Zilver: 'verslingert ende om een vijle prijse gedistraheert'

Niet meer dan dertien zilveren pronkstukken vormen de eigenlijke tentoonstelling Middeleeuws zilver terug in Utrecht, georganiseerd naar aanleiding van een promotieonderzoek door Louise van den Bergh-Hoogterp naar het goud- en zilverambacht in het veertiende-, vijftiende- en zestiende-eeuwse Utrecht.

Voor veel goud- en zilversmeden was de Domstad met zijn vele kerken en kloosters een interessant afzetgebied. Bovendien kwamen er in de late middeleeuwen steeds meer opdrachten uit de kringen van adel en gegoede burgerij. Het geringe aantal overgebleven voorwerpen geeft dus een vertekend beeld van de activiteiten in het smidsambacht; er is een fractie achterhaald van wat ooit moet zijn vervaardigd.

Het niet-religieus zilver was zelden een lang leven beschoren. De nieuwprijs van zilverwerk was voornamelijk gebaseerd op de materiaalkosten; arbeidsloon speelde nauwelijks een rol daarbij. Particuliere eigenaren die contant geld nodig hadden, of uitgekeken waren op hun ouderwets geworden bezit, lieten het zilver zonder dralen omsmelten.

In de Utrechtse vitrine staat dan ook maar een voorwerp uit prive-bezit, een profane bokaal die overigens met de fraaie geemailleerde dekselversiering met God de Vader niet bij de liturgische stukken uit de toon valt.

Van het kerkelijke zilver zou meer kunnen overblijven. De vormgeving van bijvoorbeeld een wierookvat is immers minder aan mode onderhevig en een zeker traditionalisme ligt hier voor de hand. Dat geldt ook voor de zogenaamde sprekende relieken waarvan er twee bewaard zijn: het in 1362 gemaakte borstbeeld van bisschop Fredericus waarin een schedelbot van deze heilige is verborgen en de realistische hand-met-onderarm die zo 'sprekend' de relatie legt met zijn inhoud, een armbotje van de heilige Martinus.

Het religieuze zilver werd echter in 1578 getroffen door het bevel van landvoogd Matthias in Brussel, dat al het kerkelijk zilver ten behoeve van de Staten-Generaal omgesmolten of zoals een contemporain document met machteloze woede vermeldt 'verslingert ende om een vijle prijse gedistraheert' moest worden.

De weinige sacrale kunstwerken die 'onderdoken' of anderszins voor de smeltoven gespaard bleven, zijn heel passend in de voormalige kloosterkapel van het museumcomplex opgesteld. Arbeidsovereenkomsten, gildevoorschriften en andere archivalia geven verder informatie over de geschiedenis van deze zilverschat.

Een bredere opzet kenmerkt de tweede zilverexpositie in het Centraal Museum. De keuze uit eigen collectie telt meer dan tachtig voorwerpen uit de periode van omstreeks 1400 tot 1940. Uiteraard is een prominente plaats ingeruimd voor de belangrijkste Nederlandse zilversmeden, de broers Adam en Paulus van Vianen. In het begin van de zeventiende eeuw ontwikkelden zij stilistische vernieuwingen die een hoogtepunt bereikten met het beroemde 'kwabornament'. Deze decoratie lijkt niet door drijfwerk, maar door kneden tot stand te zijn gebracht en bestaat uit bizarre maskers, weke overgangsvormen tussen fabeldieren en zeemonsters en anatomische elementen zoals huidplooien en pezen. Duidelijke begrenzingen tussen de verschillende onderdelen die onbedoeld de uitdrukking 'geen vlees en geen vis' illustreren ontbreken.

Op een schenkkan van Adam van Vianen uit 1619 omlijsten dergelijke zilverimprovisaties een afbeelding van de legendarische Marcus Curius, die een plotseling ontstane kloof op het Romeinse Forum dichtte door er zich met paard en al in te storten en daardoor senaat en volk van Rome voor veel onaangenaams behoedde. Van Vianen heeft het tafereel schitterend op de buik van de kan weergegeven, maar de gedrochten uit zijn zilveren droomwereld eisen de meeste aandacht op.

Veel van het geexposeerde burgerlijk zilver stamt uit de achttiende eeuw en straalt de sobere distinctie uit van kostbaar materiaal dat aan zichzelf genoeg heeft en opvallende versieringen kan missen. Die terughoudendheid tonen ook twee trommels uit 1791. De zilversmid, J. P.van Straatsburg, voorzag het langwerpige en het ronde exemplaar (het ene bestemd voor oublies, het andere voor beschuiten) van een allersimpelst parelrandje. Een nauwelijks zichtbare accolade markeert de sluiting.

Zulke trommelsets zijn niet uniek. Omstreeks 1780 komen ze plotseling, vooral in Amsterdam, in de mode. Van een bepaalde stijlontwikkeling is geen sprake, maar moet dat altijd? Tegenover de allerindividueelste emoties van de beide Van Vianens houden de trommels stand als voorlopers van de best denkbare industriele vormgeving.

Tentoonstellingen: Middeleeuws zilver terug in Utrecht. Tot 26/8; gelijknamige publikatie door Louise E.van den Bergh-Hoogterp, fl.14,50. Zilverwerk uit de collectie van het Centraal Museum. Tot 30/9. Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht; Open: di t/m za 10-17 uur, zo 13-17 uur.