Politieke Unie - term uit een oude doos

Terminologisch en politiek is de brief waarmee president Mitterrand en kanselier Kohl op 18 april de Europese Politieke Unie op de agenda hebben geplaatst een opmerkelijk stuk. Want het staatshoofd en de regeringsleider verklaren daarin, dat de tijd is gekomen 'het geheel van de betrekkingen tussen lid-staten (der Europese Gemeenschap) om te zetten in een Europese Unie en deze unie van de nodige actiemiddelen te voorzien'.

En daarom wensen zij, 'dat de Europese Raad, het hoogste orgaan van de Gemeenschap, zal besluiten tot het houden van een 'regeringsconferentie over de Politieke Unie', waarbij het er in het bijzonder ook om gaat 'een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en veiligheidspolitiek vast te leggen en te verwerkelijken'.' Terminologisch is dit document interessant omdat daarin zonder enige toelichting plompverloren weer een term in opduikt, die in het officiele spraakgebruik van de Europese integratie buiten gebruik was geraakt sedert de Parijse Top van 1972. Deze had de vorming van een 'Europese Unie' aan de orde gesteld, die tot 1980 gerealiseerd zou moeten worden. Een unie die ook toen al werd omschreven met de raadselachtige woorden 'het geheel van de betrekkingen tussen de lid-staten', die in zulk een unie zouden moeten worden omgezet. Wat men zich daaronder zou moeten voorstellen heeft de Belgische minister Tindemans in 1975 in zijn bekende rapport over de Europese Unie proberen te omschrijven.

Evenmin is duidelijk wat moet worden verstaan onder de term Politieke Unie. Mitterrand en Kohl deden in de brief aan raadsvoorzitter Haughey, waarin hun initiatief was vervat, geen enkele poging tot toelichting. Behalve dan verklaren dat zij moest dienen om de democratische legitimatie van de Unie te versterken, haar instituties efficienter te maken, de eenheid en de coherentie van de actie van de Unie op het gebied van de economie, van monetaire zaken, alsmede op dat der politiek veilig te stellen en de gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek te formuleren en te verwezenlijken.

Evenmin worden wij veel wijzer, wat de Politieke Unie betreft uit de nota 'Verder bouwen aan Europa', die de minister van buitenlandse zaken en staatssecretaris Dankert begin juni aan de Tweede Kamer hebben gezonden. Daarin wordt betoogd, dat de term Europese Unie aanleiding geeft tot verwarring, 'omdat daarmee niet de Europese Unie wordt beoogd, doch veeleer een nieuwe stap, die volgt op de Europese Akte' (bedoeld is waarschijnlijk: 'die volgt op de Europese Unie waarvan de verwezenlijking een van de doelstellingen van de Europese Akte is'). Wat Mitterrand en Kohl in hun brief zeggen komt er verkort op neer: Omdat de tijd is aangebroken om de Europese Unie te verwezenlijken moet er een Politieke Unie komen. Dat wil zeggen, hier wordt de Politieke Unie, misschien onbedoeld, juist voorgesteld als middel ter verwezenlijking van de Europese Unie.

Afgezien van de onzekerheid over wat er in de huidige Europese discussie met de term Poltieke Unie wordt bedoeld is er het feit, dat deze term in de geschiedenis van het Europese integratiestreven een term met een zeer precieze betekenis is: in de jaren vijftig en zestig was 'Politieke Unie' het gaullistische intergouvernementele tegen-project tegen de 'Politieke Gemeenschap' waarmee federalisten en supranationalisten vorm aan de Europese politieke samenwerking wilden geven. Een ontwerp voor een dergelijke gemeenschap was in het begin der jaren vijftig op verzoek van de lid-staten der Kolen en Staalgemeenschap uitgewerkt door het Europese Parlement (optredend als 'assemblee ad hoc'), in samenhang met het ontwerp voor een supranationale Europese Defensiegemeenschap. Maar nog voordat de door Frankrijk aan de orde gestelde EDG sneuvelde in het Franse parlement was het ontwerp voor de EPG al gestrand op het verzet van Frankrijk in de Raad van ministers. 'Politieke Unie', dat was vervolgens in de jaren zestig de inhoud van het Franse plan-Fouchet, waarmee in feite een niet-supranationale, intergouvernementele Europese samenwerking, met uitsluiting van Groot-Brittannie aan de orde werd gesteld.

Verbazingwekkend is het niet dat staatssecretaris Dankert in zijn interview van 7 juni met deze krant moet constateren, dat de Franse ideeen voor de politieke unie neerkomen op het versterken van de positie van de Raad van regeringsleiders en de voorzitter ervan als een soort president van Europa te laten optreden.

De Raad van regeringsleiders was het organisatorische kernstuk van de gaullistische politieke plannen voor het intergouvernementele Europa. En de Franse diplomatie is door de jaren heen telkens weer, elke keer in een iets ander gewaad, met deze intergouvernementele voorstellen op de proppen gekomen.

Wat het denkbeeld van een Europese president betreft kan worden opgemerkt, dat die in de Franse visie bij voorkeur een Fransman moet zijn. Al was het maar omdat hij dan in het kader van de Europese veiligheidspolitiek over het gebruik van het Franse neutronen kan beslissen. Ex-president Giscard d'Estaing heeft al bij herhaling laten weten voor de functie in de markt te zijn. Volgens Le Monde van 18-2-'86 was hij toen van mening dat met de serie-produktie van het Franse neutronenwapen begonnen zou moeten worden omdat het in zijn zienswijze 'het militaire instrument is dat bij uitstek het ontstaan van een Europese defensie-persoonlijkheid illustreert'.

En de Franse minister van defensie, Chevenement heeft eerder dit jaar verklaard (Le Monde, 13-3-'90) dat dit neutronenwapen, de raket van het type Hades, 'nuttig kan zijn voor heel Europa'. Opmerkelijk in het jongste initiatief van Mitterrand en Kohl is voorts, dat in hun brief van 18 april met geen woord melding wordt gemaakt van het Frans-Duitse ontwerpverdrag voor een Europese Unie, waarmee de twee landen hun Europese partners hebben verrast op de top van Milaan van 1985. Ook dit stuk ging ervan uit, dat het geheel van de betrekkingen tussen de lid-staten der Europese Gemeenschap in een 'Europese' Unie moet worden omgezet. Maar het woord 'Politieke' Unie komt er nog niet in voor. Wel wordt er ook over veiligheidskwesties gesproken, in artikel 8 van het ontwerp. 'Een nauwere samenwerking in veiligheidszaken kan bijdragen tot de ontwikkeling van een identiteit van Europa op het gebied van de buitenlandse politiek', zo wordt daarin betoogd. Terwijl tevens wordt gezegd, dat die leden der Gemeenschap die nauwere samenwerking op het gebied van de veiligheid wensen dit zullen doen in het kader van de Westeuropese Unie, de WEU. In het initiatief van 18 april '90 wordt de WEU niet meer genoemd en de gemeenschappelijke veiligheidspolitiek als een taak van de Politieke Unie gezien. Dat is een zeer essentiele ontwikkeling, die in het stuk niet expliciet gemaakt wordt.

Ook wordt uit de brief van Mitterrand en Kohl niet duidelijk hoe zij zich de relaties tussen de Europese Unie, de Politieke Unie en de bestaande gemeenschappen voorstellen.

In het Frans-Duitse ontwerp werd dienaangaande in de preambule gezegd, dat de Europese Raad (thans het hoogste orgaan der Gemeenschap) van zijn eerstvolgende zitting af de naam Raad van de Europese Unie moet krijgen. En in art. 10 wordt gezegd, dat het presidentschap van de politieke samenwerking in handen zal zijn van de lid-staat die het presidentschap van de Gemeenschap bekleedt. En voorts, dat het presidentschap van de politieke samenwerking zal worden bijgestaan door een secretariaat van de Raad der Europese Unie een secretariaat dat, moet men aannemen, onafhankelijk van de Europese Commissie der Gemeenschap zou zijn en meer een 'intergouvernementeel' dan een 'communautair' orgaan zal zijn.

Gehoopt kan slechts worden, dat, als het straks om de parlementaire goedkeuring van een 'Europese Politieke Unie' gaat, de nationale parlementen voorzichtiger met hun nog resterende bevoegdheden zullen omspringen dan tot dusver veelal het geval is geweest. Want wat in artikel 9 van het Frans-Duitse ontwerp van 1985 over de deelneming van het Europese Parlement aan de politieke samenwerking wordt gezegd stelt niet veel voor.

    • K. M. Schreiner