Oude banden tussen story en history

De liefde tussen de geschiedschrijver en de roman, die jaren geleden opflakkerde, blijkt van de sterke soort te zijn. De verhalen van de historici Braudel, LeGoff, Schama, Tuchman, Duby en Le Roy Ladurie worden gretig gelezen door leken. George Duby zei in 1983 tegen deze krant dat de moderne literatuur zelf ernstig in gebreke is gebleven 'De mensen hebben op het ogenblik geen leesvoer meer om hun tanden in te zetten.' Met de onstuitbare opkomst van de Annales-historici, die de dorre objectieve feiten van het verleden graag inruilden voor inzicht in de ontwikkelingen op economisch, sociaal, maatschappelijk en zelfs klimatologisch terrein, won de moderne geschiedschrijving veel aan levendigheid en kreeg zij bovendien een persoonlijker tint. Voeg hier verbeelding en stijl aan toe en je hebt literatuur.

Het kwartaaltijdschrift Granta haalt in nummer 32 de oude banden tussen history en story weer nauwer aan. Verhalen behoren over gebeurtenissen te gaan, hoe een schrijver vervolgens de feiten en zijn geheugen bespeelt, manipuleert, is voor Granta pertinent een tweede.

Simon Schama opent dit geschiedenisnummer met een forse bijdrage, 'The Many Deaths of General Wolfe'. Behalve over de door Benjamin West geschilderde dood van de Engelse generaal James Wolfe, in 1759 bij Quebec tijdens een slag tegen de Fransen, gaat Schama's verhaal ook over het geschiedschrijven, en over landschappen. Hij bereidt trouwens een boek voor over de cruciale rol die in de geschiedenis door zekere landschappen is gespeeld.

Wolfe was een eigenaardige generaal die aan de vooravond van de strijd Gray's Elegy in a Country Churchyard voor zijn mannen reciteerde. West, 'a poetic inventor', schilderde in 1770 zijn sterfscene op een onconventionele manier 'A mere matter of fact will never produce the effect', wist hij. Het fraaiste stuk van Schama's evocatie is dat waarin hij schetst hoe ruim een eeuw later de historicus Francis Parkman probeert Wolfe's geschiedenis te schrijven niet in de duffe formalistische traditie van de Britten, maar op een vrije, uitbundige Amerikaanse manier. Voor de authenticiteit reist hij naar het Wilde Westen, om de sfeer na te voelen. Maar de ruwe natuur viel hem zwaar tegen; 'Instead of feeling married to the landscape, much of it repelled and threatened him'.

Geleidelijk aan identificeert de geschiedschrijver zich volkomen met zijn onderwerp, hij sterft als het ware, ziek en verzwakt, samen met hem op het slagveld.

Andere (hi)stories in Granta zijn van Elisabeth Hardwick (Newyorkse werklozen a bunch of cliches), Richard Holmes (over Samuel Johnson) en Julian Barnes, met een prachtig godsdienstoorlogsverhaal over drie katholieke soldaten van de Zonnekoning die ingekwartierd zijn bij een protestants timmermansgezin en met erg harde hand bekering afdwingen. Het is opmerkelijk dat uitgerekend in dit geschiedenisnummer het gemoed van de lezer het zwaar te verduren krijgt. Bijzonder ontroerend is het zeker autobiografische verhaal van Giorgio en Nicola Pressburger over de synagoge van Boedapest, gekocht door de koning van Zweden, waarin tientallen kinderen van 1944 tot 1945 veilig weg van de nazi's werden gehouden. Zijn leven na '45 ziet de schrijver als 'stolen years'. Heel anders, veel exuberanter, maar ook hartverscheurend is het verhaal 'Blessed Insurance' van Allan Gurganus, over een blanke die in een helemaal zwarte buurt de premies moet innen van het 'dooienfonds', de begrafenisverzekering.

Vermeldenswaard is nog het verslag geschreven na de Amerikaanse invasie in Panama, door de Grand Old Lady onder de oorlogsverslaggevers, Martha Gellhorn +/- 80). Granta 32, History. 256 blz. 5.99. Imp. Penquin Books Nederland.

In de kunst zijn wij androgynNouveau romanciere Nathalie Sarraute (90) is geinterviewd voor The Paris Review. De redacteur van dit blad in Londen, Shusha Guppy, publiceert in het najaar een hele serie vraaggesprekken met 'grandes dames of European letters', onder de titel Looking Back. Sarraute, sterk beinvloed door Proust, Joyce en Woolf, heeft geen enkele boodschap aan het soort proza dat bij voorbeeld Granta voorstaat. De traditionele roman over een voorgevallen gebeurtenis met een frame van plot en personages is volgens haar volmaakt ongeschikt voor waar het werkelijk om gaat: 'the revelation of a whole mental universe'. Bovendien kunnen de klassieke vormen niet goed weergeven wat de zintuigen waarnemen 'one has to take hold of the instant, bij enlarging it, developing it'. Sarraute noemt zichzelf een feministe, desnoods militant waar het de gelijkberechtiging betreft, maar voor feminisme is in de literatuur geen plaats 'Woman's condition is the last thing on my mind when I write'.

Ze weigert de 'vrouwelijke stem' te erkennen. 'I think that in art we are androgynous', zegt ze, Emily Bronte heeft geen specifiek vrouwelijk geluid, Henry James en Marcel Proust geen typisch mannelijk. Over de groep schrijvers van de nouveau roman merkt Sarraute droog op 'We never saw each other'. Intrigerend is dat alle vijf prozaverhalen in dit nummer van The Paris Review voorpublikaties zijn, en dat daarentegen niet een van de gedichten die van vijftien dichters gekozen werden al bestemd is om binnenkort in een bundel of bloemlezing uit te komen. Vreemd. Vinden de uitgevers te weinig gedichten de moeite waard? Of zou er een reusachtig overschot zijn in de Verenigde Staten, zo iets als een poezieberg? Brenda Hillman schreef een gedicht over mannelijke kunst (de zon) en de vrouwelijke, gesymboliseerd door de maan 'Woman poet hateful term!/ Sometime you despised/ the moon with her/ hymn of granite '. Veelbelovend is het fragment 'Night in Whitechapel' uit een op handen zijnde roman van Paul West over Jack the Ripper. De vrouwenmoordenaar bestaat hier uit een samenzwering van drie vrijmetselaars die koningin Victoria, 'wier kleinzoon Eddy met een slet trouwde', helpen haar koninkrijk van hoeren te ontdoen. En tenminste bijzonder is de Edward Hopperiaanse schildering van New York door Stuart Dybek in een vervreemdend realisme. Zijn titel 'Nighthawks' is beslist geen toevallige verwijzing naar een schilderij van Hopper. Ook Dybek roept een sfeer van eenzaamheid op, de wanhopige alleenheid van de nachtelijke zitters in het tl-licht van een ongezellig 24-uurs restaurant.

The Paris Review 114. 225 blz. $6. 45-39 171Place, Flushing NY 11358-9892, USA

Een hoofdrol voor de dood

Van de vijfenveertig medewerkers aan nummer dertien van The Quarterly herken ik niet meer dan een schamel drietal namen Tim O'Brien (schrijvend Vietnamveteraan), Stephen Hickoff (dichter en cynicus), en Don Nace, de vaste tekenaar. Nu laat The Quarterly zich er nadrukkelijk op voorstaan geen celebrity hunter te zijn. Maar al die 45 onbekende namen werken haast op de lachspieren zijn ze wel echt eigenlijk? Guy Capecelatro III, Yung Lung, D. Nurkse, Al Ortolani, Particia Volk en Cybele Blood? Van Tim O'Brien is pas of bijna uit The Things They Carried, proza over Vietnam dat vermoedelijk zeer de moeite waard is. Ook het fragment 'Spin' is geen prettige leesstof, de vraag naar goed of fout is hier volkomen ondergeschikt aan de schokkende, ontluisterende dagelijkse realiteit van oorlog.

Er staat veel, onmiskenbaar Amerikaanse poezie in dit nummer. Het niveau is bedenkelijk 'Texas/ Pronounced right/ Sounds a lot like/ Fuck you'. De korte verhalen in Q hebben meer gewicht. Het gros der auteurs toont zeer vertrouwd te zijn met het werk van Raymond Carver en Grace Paley en dat is vriendelijk uitgedrukt. Good reads, met vaak een hoofdrol voor de dood, door kanker, geweld of stom toeval. The Quarterly 13. Vintage Books, imp. Van Ditmar, 246 blz. $8.95.