Operatie Kalverstraat op oostelijk Midden-Celebes

Op 15 juli 1942 verscheen een bommenwerper boven Celebes om wapens af te werpen voor een verzetsgroep. Piloot Richard Ezzard herinnert zich hoe een paar uur tevergeefs gezocht werd naar een vuur of een vlag.

Vanuit zijn achtertuin in Midden-Florida zag Richard F. Ezzard, gepensioneerd kolonel van de Amerikaanse luchtmacht, tientallen space shuttles opstijgen, en de Challenger exploderen. Twintig jaar eerder was hij een nog veel directer getuige van historische gebeurtenissen boven het aardoppervlak: als business-manager van de meest nabije luchtmachtbasis van Cape Kennedy was hij tussen 1963 en 1966 nauw betrokken bij de inzet van luchtmachtmaterieel ten behoeve van het Mercury- en het Apollo-programma. En weer twintig jaar daarvoor bestuurde kapitein Ezzard de Amerikaanse bommenwerper van waaruit een van Nederlands opmerkelijkste verzetsgroepen in de Tweede Wereldoorlog, op oostelijk Midden-Celebes, van wapens en munitie zou worden voorzien.

Op 8 maart van dat jaar gaf Nederlands-Indie zich over aan Japan. De hoogste officier van de kleine KNIL-groep die op dat moment in het vrije Australie vertoefde, generaal-majoor L. H. van Oyen, sprak desondanks op 27 maart via de Australische radio tot het bezette Indie: 'Wij weten hier dat de strijd in guerrillavorm nog op eenige eilanden van onze archipel verwoed wordt voortgezet. (...) De makkers in Australie wenschen u sterkte en kracht, en geven de plechtige belofte dat zij u ter hulp zullen snellen.'

Guerrilla-groep

Een van degenen die dat hoorde was de 27-jarige luitenant J. A. de Jong, op dat moment commandant van 125 man KNIL-troepen op oostelijk Midden-Celebes. In afwachting van de eerste Japanners was hij bezig met voorbereidingen voor de capitulatie van zijn ondergeschikten, maar dit veranderde de zaak. Om een lang verhaal kort te maken: eind april hadden zijn merendeels Indonesische troepen vrijwel unaniem gehoor gegeven aan De Jongs voorstel om een guerrilla-groep te vormen, waarna ze zich hadden teruggetrokken in het binnenland. Al was de capitulatie inmiddels twee maanden een feit de Japanners konden bij hun eventuele komst van katoen krijgen. De Jong moet vermoed hebben dat veel van zijn collega-officieren hetzelfde deden als hij, maar in werkelijkheid waren de 125 op Celebes, en een groepje op Nieuw Guinea, op dat moment de enigen die doorvochten op Indisch grondgebied.

Bij nader inzien schrokken De Jong en zijn medestanders enigszins van hun eigen vermetelheid, vooral toen de Japanners via brieven en onderhandelaars ultimata gingen stellen. Vandaar dat tussen 9 en 13 juni in Australie een reeks radiotelegrammen werd opgevangen, waarvan de meest essentiele was gericht aan generaal Douglas MacArthur, supreme allied commander van SWPA South West Pacific Area. 'We need help. I hope my request will not be in vain', seinde de luitenant aan de generaal. Hij vroeg om 20 mitrailleurs plus munitie, af te werpen door een vliegtuig, waarmee zijn arsenaal van enkelschots M-95 karabijnen moest worden versterkt voor de Japanners zich tegen hem keerden.

Op dit punt van het verhaal had Ezzard in beeld moeten komen. Hoewel de geallieerden in SWPA nog stonden te sidderen van de vijandelijke opmars in Zuidoost-Azie, ieder moment een inval in Australie verwachtten, en aan bijna alles een gebrek hadden, was Ezzards agenda in die tijd niet al te druk bezet. 'Ik was toen voornamelijk bezig met het testen van magnesium-lichtbommen die nodig waren om nachtbombardementen uit te voeren', aldus de gepensioneerde kolonel die toen op een basis in Noord-Australie was gedetacheerd. Dat relatief rustige programma hadden hij en enkele collega's te danken aan het ongebruikelijke type waarop ze vlogen: de viermotorige LB-30, een gemodificeerde B-24 Liberator-bommenwerper, waarvan zich twee exemplaren in Australie bevonden. Karakteristiek was dat de LB-30 een groter bereik had dan enige andere geallieerde bommenwerper, bijna 6.000 kilometer, maar niet hoger kwam dan vijfduizend meter, dus goed bereikbaar voor Japanse jachtvliegtuigen. 'De LB-30's werden daarom nooit ingezet voor bombardementen', herinnert Ezzard zich, 'maar voor een lange bevoorradingsvlucht als naar Celebes waren ze juist ideaal ook omdat je er zeer laag over zee mee kon vliegen, zodat er minder kans was om ontdekt te worden.'

Cadettenlied

Op 23 juni gaf MacArthur persoonlijk toestemming voor de hulp aan De Jong een project dat door KNIL-officieren inmiddels operatie Kalverstraat was genoemd maar de mitrailleurs zouden pas drie weken later worden afgeworpen: men vreesde voor een vijandelijke list om aan gratis wapens te komen en vervolgens een geallieerd vliegtuig neer te halen. Vanuit Australie werden daarom twee testvragen aan De Jong gezonden: hij moest de bijnaam van het KMA-gebouw en het tweede woord van het cadettenlied terugseinen. Dat deed De Jong, maar helaas op een moment dat in Australie niet naar 'Celebes' geluisterd werd.

Na 26 juni hoefde dat ook niet meer, want de Japanners waren met 400 goed bewapende soldaten tegen het KNIL-groepje ten strijde getrokken; op die dag had De Jong zijn zware radiozender laten vernietigen, waarna hij zijn basis, het stadje Kolonodale, had moeten ontruimen. De guerrilla die het KNIL drie, en de Japanners meer dan zestig doden zou kosten, was begonnen.

Ezzard was van die ontwikkelingen volkomen onkundig toen hij op 15 juli omstreeks 9.45 uur na een vlucht van 1.800 kilometer boven de baai van Kolonodale verscheen: na weken twijfel was in Australie besloten het er toch maar op te wagen. Aan boord bevonden zich twaalf parachutes met pakketten van 90 kilo elk, en de negenkoppige Amerikaanse bemanning was aangevuld met kapitein Reinier Jessurun van de afdeling Militaire Luchtvaart van het KNIL. Ezzard: 'Als eerste piloot zat ik links, en op de rechterstoel zat kapitein Maurice Horgan, de tweede piloot. Jessurun stond midden achter ons. Hij had de leiding: hij zei waar we heen moesten en wanneer we gingen werpen.

Horgan en ik hoefden alleen maar te vliegen. Dat was lastig genoeg, want in tegenstelling tot wat we gehoopt hadden, waren de wolken om de bergen nog niet verdampt. We moesten natuurlijk laag vliegen omdat we op zoek waren naar een teken van de grond. De LB-30 had een draaicirkel van meer dan vijf kilometer en mijn grote zorg was om niet tegen een bergrug aan te vliegen. Als ik 'm omhoog trok vloog ik de wolken in zonder dat ik kon zien hoe hoog de bergen waren.' Jessurun had intussen een heel ander probleem: bij de kampong die De Jong vijf weken eerder als droppingsplaats had voorgesteld was geen van de afgesproken tekens te bekennen: geen rokend vuur, niet het afgesproken plus-teken, geen gezwaai met een vlag. De opgejaagde restanten van de guerrillagroep bivakkeerden op dat moment dertig kilometer naar het noordwesten in het oerwoud, en merkten niets van de hulpmissie waarop al hun hoop gevestigd was. De Japanners merkten het des te beter. Dat de wapens geleverd zouden worden, was hun dank zij het afluisteren van het radioverkeer genoegzaam bekend; waar het KNIL-groepje zat wisten ze vrij precies, en ze wachtten rustig tot de wapens neer zouden dalen.

Ezzard: 'Mijn idee was: erheen vliegen, afwerpen, en dan zo snel mogelijk weer weg, voordat ze bij je zijn. Dat leer je snel genoeg als bommenwerperpiloot. Maar we cirkelden... en cirkelden... .en cirkelden. Anderhalf uur achter elkaar. Ik zei tegen Jessurun: Als je niet kan beslissen gaan we terug met de pakketten, dat leek mij het beste. Maar ineens zei hij dat we gingen afwerpen. Vreemd genoeg riep hij niet zoiets als: Ah! Daar heb je ze!'

Autoweg

Vervolgens werd de lading in drie runs door de bommenluiken gegooid, naast een autoweg op vijf kilometer van Kolonodale. Jessurun meldde later aan zijn superieuren dat hij daar een Europeaan had zien zwaaien. Hij had gelijk, dan moet dat een van de vier Nederlanders zijn geweest die een week eerder in vijandelijke handen waren gevallen, en die was bezweken voor Japanse pressie om mee te werken. Ten minste zo waarschijnlijk is dat Jessurun zich vergiste.

Na 13 uur en 48 minuten vliegen kon Ezzard zijn toestel weer aan de Australische grond zetten. 'Ik was tevreden, Jessurun was tevreden. We dachten dat het een geslaagde missie was.'

In die misvatting werden ze gesterkt door de Japanners, die daags daarna seinden dat alles in de juiste handen was gevallen wellicht in de hoop op meer van dit soort zendingen.

Van Jessurun is slechts een kort verslag bewaard gebleven. In 1949 kwam hij bij een vliegtuigongeval om het leven, en sindsdien is Ezzard de belangrijkste getuige van de hulpverlening aan de verzetsgroep op Celebes. Dat die mislukte, dat de laatste verzetsstrijders begin augustus werden ingerekend, en dat vijftien van hen, onder wie De Jong, diezelfde maand werden onthoofd, hoorde hij pas onlangs.

Maar ook was nieuw voor hem dat hij indertijd door een paar honderd Japanners in de gaten werd gehouden: 'Ik had me wat meer zorgen gemaakt als ik dat geweten had!'