Het einde van liplezen

LIPLEZEN is niet de meest voor de hand liggende manier om politiek te bedrijven, maar in de Verenigde Staten heeft deze communicatievorm twee jaar lang het begrotingsdebat bepaald. De belofte van presidentskandidaat George Bush in de verkiezingscampagne van 1988 Lees mijn lippen: geen nieuwe belastingen stond haaks op het adagium dat politici nooit 'nooit' moeten zeggen. Bush had zichzelf met deze verkiezingsuitspraak gebonden aan een begrotingsbeleid waarmee hij als president, in gewijzigde omstandigheden, vroeg of laat in moeilijkheden kon komen.

Die moeilijkheden doen zich voor nu het Amerikaanse federale begrotingstekort opnieuw fors oploopt. De economische groei in de VS is zwak, daardoor nemen de inkomsten minder toe dan geraamd, terwijl de uitgaven stijgen. Ondanks de voorgestelde bezuinigingen op defensie zal het begrotingstekort zonder aanpassingen het komende jaar oplopen tot 160 miljard dollar. Volgens de Gramm-Rudman-Hollingswet die in 1987 van kracht werd om het onder president Reagan ontspoorde begrotingstekort gefaseerd terug te dringen, mag het tekort het komende begrotingsjaar niet meer dan 64 miljard dollar bedragen.

Het Republikeinse Witte Huis en het Democratische Congres hadden na zes weken onderhandelingen over de begroting nog geen enkel resultaat bereikt. Het getuigt dan ook van politieke moed en realiteitszin dat Bush zijn verkiezingsbelofte vorige week heeft ingeslikt. Zijn stap maakt de weg vrij naar een compromis met de Democraten die, nu de president ruimte heeft geschapen, van hun kant bereidheid hebben getoond om over bezuinigingen op politiek gevoelige uitgavenposten te praten. Het grootste financiele drama in de Verenigde Staten, het bankroet van de spaarkassen, blijft overigens buiten de begrotingsonderhandelingen. De komende jaren zal buiten de begroting om hiervoor naar schatting 200 miljard dollar op de kapitaalmarkt moeten worden geleend.

Het einde van de excercitie liplezen betekent ook het einde van een tijdperk. Negen jaar geleden zette president Reagan de aanval op de federale uitgaven in door de belastingen drastisch te verlagen. In Reagans filosofie zouden minder inkomsten het spilzieke Congres vanzelf dwingen tot lagere uitgaven. Er werd bezuinigd, maar het resultaat was averechts. Reagan verhoogde de defensie-uitgaven en het Congres weigerde in te stemmen met drastische verminderingen van de sociale uitgaven. De tekorten liepen op en daarmee begonnen de rentelasten steeds zwaarder op de begroting te drukken. De rechts-Republikeinse bezuinigingskruistocht liep stuk op het steeds grotere deel van de begroting dat aldus was uitgesloten van bezuinigingen. De Amerikanen leefden in de jaren tachtig met het zorgeloze credit card-gevoel dat ze nu konden besteden en later zouden betalen of de rekening naar de Japanners konden doorschuiven. De herroeping van Bush' belastingbelofte brengt een begin van besef dat de Amerikanen zelf voor de rekening van jaren van overbestedingen moeten opdraaien. Bovendien erkent Bush impliciet dat in het streven van de jaren tachtig naar terugdringing van de overheidsrol in de samenleving de waterscheiding is bereikt. Alleen de rechtervleugel van de Republikeinse partij kan zich daarmee niet verenigen en het is geen wonder dat uit die hoek nu bittere verwijten aan het adres van Bush klinken.

HOGERE belastingopbrengsten in de VS ter dekking van de federale uitgaven helpen ook om het Amerikaanse beroep op de besparingen in de wereld te verminderen. Hoe minder geld de Amerikaanse schatkist op de kapitaalmarkten moet lenen, des te meer zijn internationale besparingen beschikbaar voor andere bestemmingen. Ook in het licht van deze internationale uitdagingen is het verstandig dat Bush bereid is om over hogere belastinginkomsten te onderhandelen. De omslag is principieel, maar niet dramatisch: tenslotte levert iedere dollarcent verhoging van de benzineaccijns in de VS een miljard dollar op aan extra inkomsten.