Fietstochtjes naar het verleden

Archeologen hebben de publieke opinie ontdekt als wapen in de strijd tegen vernietiging van het bodemarchief. Laat de mensen zien wat er is. Opvallend zijn de Toeristisch Recreatieve Archeologische Projecten. 'Ik ga nu uitvoeriger over Egypte vertellen, omdat het meer wonderen bevat, dan welk land ook en de grootste kunstwerken te zien geeft, die de wereld kent', schreef de bekende toerist Herodotus in de oudheid.

Zijn verhalen hebben ertoe bijgedragen dat een onafgebroken stroom van bezoekers naar het rijk van de farao's op gang kwam. Deze langdurige bewondering, die ook de rest van de antieke wereld ten deel is gevallen, heeft in West-Europa lang geleid tot een onderwaardering van de archeologie uit het eigen land.

Nederland was daarop geen uitzondering. Wat in de weg lag of stond, werd gesloopt of geegaliseerd en verdween. Tot op de dag van vandaag wordt er in ons land met het archeologisch erfgoed achteloos omgesprongen. Gedeeltelijk komt dat door het weinig spectaculaire karakter van de overblijfselen of hun betrekkelijke onzichtbaarheid. Maar vooral is het in plaats van onderwaardering, een kwestie van onwetendheid.

Dit heersende gebrek aan kennis moet de archeologie, traditioneel wars van een voorlichtende instelling, goeddeels zichzelf aanrekenen. De hand is inmiddels in eigen boezem gestoken. Met een zekere regelmaat verschijnen er populair-wetenschappelijke boeken over opgravingsresultaten. In stichtingen als Project Archeologie (SPA) of Archeologie en Landschap (STAL) zijn archeologen zich professioneel met voorlichting gaan bezighouden. Ook de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) heeft enkele informatieve projekten opgezet.

Hinderlijke zwerfkeien

Toen de paalworm in het begin van de achttiende eeuw de houten zeeweringen aanvrat moest men op zoek naar vervangend materiaal. Graniet of basalt waren ideale en goedkope alternatieven, maar de Nederlanden bezaten geen steengroeven. Om de kosten van aanvoer uit het buitenland te drukken, stelde iemand voor de onnutte, hinderlijke hopen Drentse zwerfkeien te gebruiken. Pas nadat bijna de helft van de hunebedden met buskruit en boren was teruggebracht tot het formaat van handzame stenen, maakte de overheid er een eind aan.

Sindsdien genoten onze meest prominente en zichtbare archeologische monumenten enige wettelijke bescherming, maar verder bekommerde niemand zich er om. Albert Egges van Giffen (oprichter van het Instituut voor Prae- en Protohistorie te Amsterdam en het Biologisch Archeologisch Instituut (BAI) van Groningen en later de eerste directeur van de ROB) rapporteerde in 1918 over de deplorabele toestand waarin de hunebedden verkeerden.

Als Correspondent voor de Rijkscommissie van de Monumentenzorg kon hij ze vanaf 1919 onder zijn hoede nemen. Van Giffen heeft de hunebedden onderzocht, geinventariseerd en gecatalogiseerd, er enkele gerestaureerd en ze met zoveel zorgen omringd als waren het zijn eigen kinderen.

Na zijn dood in 1973 rees de vraag wie dit werk zou moeten voortzetten. De ROB was daarvoor de aangewezen instantie. Tot de werkzaamheden van deze dienst behoort immers naast onderzoek en documentatie ook de zorg voor archeologische monumenten. Maar hieraan komt de ROB nauwelijks toe. Drs. R. H. J. Klok, hoofd afdeling Beschrijving en Monumentenzorg van de ROB: 'Voor inspectie, restauratie en beheer van alle Nederlandse archeologische monumenten hebben we jaarlijks fl.50.000. Voor de hunebedden vult het Ministerie van WVC dit bedrag elk jaar aan met fl.28.000. Tot nu toe hebben we het merendeel van ons budget gebruikt voor een behoorlijke registratie en administratie.' TRAPIn 1980 werd een werkgroep ingesteld met de ROB als voorzitter die ging over vernieuwing van de hunebed-documentatie, maatregelen voor conservering, bescherming en voorlichting. Nog niet onderzochte grafkelders werden verzegeld en men selecteerde achttien van de vierenvijftig hunebedden om die voor het publiek toegankelijk te maken. De financiele middelen werden door Rijk, WVC, provincie Drenthe, Anjerfonds en Interprovinciaal Structuurplan Noorden des Lands (ISP) beschikbaar gesteld.

Klok, voorzitter van de werkgroep: 'Men moest daadwerkelijk bij de hunebedden kunnen komen. De omgeving diende te worden aangepast door aanleg van paden, parkeergelegenheid en het opstellen van een route met borden. Picknicktafels, afvalbakken, dat soort dingen hoorden er natuurlijk ook bij. Op de tweede plaats moest er informatie worden verschaft. We hebben het zo geregeld dat uitgesmeerd over de achttien monumenten alle aspecten van het hunebed aan bod komen: bouwers en bouw, functies en verspreiding, opgravingen en vondsten en andere resultaten van onderzoek.

Op panelen, plaquettes en dergelijke krijgt men ter plekke de informatie voorgeschoteld. Verder is er een brochure met beknopte uitleg en een uitgebreider gidsje. We wilden de bezoekers bewust maken van onze verantwoordelijkheid voor deze objecten.' De route langs de achttien hunebedden was in feite het eerste Toeristisch Recreatieve Archeologische Projekt (TRAP). Ook het kwijnende (en twee keer afgebrande) Hunebedmuseum werd bij de opzet betrokken. Met hulp van het Drents Museum te Assen, de Stichting Oud Borger, het BAI en de werkgroep herrees het voormalige museum op een andere plaats en is nu, als Nationaal Hunebed Informatie Centrum met een permanente tentoonstelling, middelpunt van de Drentse TRAP. De hele opzet doet een beetje denken aan de organisatie rond de Engelse Heritage Centres.

Inventarisaties

Maar niet alleen de hunebedden zijn voor het publiek ontsloten. Klok: 'De TRAP-opzet is niet alleen uit het project met hunebedden voortgekomen. Een andere oorsprong ligt bij de grootschalige archeologische bodem-invertarisaties die de laatste jaren door de ROB zelf, of in opdracht van ROB en BAI door het Regionaal Archeologisch Projekt (RAAP) worden uitgevoerd. Deze inventarisaties komen voort uit de afspraken met Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer, Landinrichtingsdienst en Ministerie van Defensie. Ze leveren veel nieuwe archeologische monumenten op.'

Grote vraag

Het TRAP-model is een succes geworden. Financiele middelen voor restauratie, reconstructie, beheer en het ontsluiten voor publiek worden binnen de regio gezocht en in de meeste gevallen wel gevonden. Dit bevordert het verantwoordelijkheidsgevoel van de directe omgeving voor het monument, wat zijn bescherming en daarmee kansen op behoud ten goede komt.

Klok: 'De ROB is met deze projecten begonnen maar kan de vraag niet meer bijbenen. Het is uit de hand gelopen, op een goede manier. Zelf kunnen we nu eigenlijk geen nieuwe projekten meer beginne, wel begeleiden.' Op dit ogenblik zijn er dertien TRAP-en in verschillende stadia van ontwikkeling 'in bedrijf'. In sommige gevallen sluit het TRAP geheel of gedeeltelijk aan bij bestaande routes van bijvoorbeeld ANWB of Staatsbosbeheer.

Fiets- en wandelroutes

Hondsrug/BorgerHunebedden. 3500 - 2700 voor Chr. Trechtbekercultuur. Nationaal Hunebed Informatie Centrum, Borger. Auto/fiets/wandelroutes.

Boshoverheide

Grootste urnenveld van Noordwest-Europa. 1000 - 600 voor Chr. Museum de Tiendschuur, Weert. Fiets/wandelroute.

Utrechtse Heuvelrug

Grafheuvels en een Langbed. 1200 - 600 voor Chr. Doorn, Leersum, Amerongen, Elst (U). Fiets/wandelroute.

Lage Vuursche

Grafheuvels. 1200 600 voor Chr. Wandelroute.

Waterland

Sporen van Middeleeuwse bewoning op werven en terpen. Verdwenen dorpen. Fietsroute.

Midden Delfland

Restanten van terpen en bewoning in de late Middeleeuwen. Route ligt nog niet vast.

Veluwe I

Begraving en bewoning in de prehistorie. Fietsroute.

II

Versterkingen uit Romeinse Tijd en Middeleeuwen. Fietsroute.

III

Prehistorische weg, urnenveld en celtic-field (prehistorisch akkercomplex). Fietsroute.

Schager/Kogge

Restanten van bewoning op terpen uit de Middeleeuwen. Fietsroute.

Maas- en Swalmdal/Swalmen

Prehistorisch grafheuvelveld, Romeinse weg, kerkheuvel, kasteelterrein, Middeleeuwse landweer (verdedigingswal). fietsroute.

Veldhoven/Knegsel

Gerestaureerde grafheuvels met ringwallen en paalkransen, Lange Bedden en urnenveld. 1700 - 0 voor Chr. Middeleeuwse landweer. Fiets/wandelroute.

Markelo

Prehistorische begravingen. 1200 - 600 voor Chr. Heriker en Friezenberg. Fietsroute.

Voor nadere informatie over gidsjes en brochures: Johan Willemsstichting, Mevr. J. Schuring, Rijksdienst v/h Oudheidkundig Bodemonderzoek, Kerkstraat 1, 3811 CV Amersfoort (033-634233)