Braks ziet in nota over landbouw toch af van heffing opkunstmest

DEN HAAG, 3 juli Op het gebruik van kunstmest in de landbouw komt geen heffing en het terugdringen van grondontsmettingsmiddelen die in de agrarische sector worden gebruikt, zal in een trager tempo verlopen. Dat blijkt uit de definitieve structuurnota landbouw die minister Braks (landbouw, natuurbeheer en visserij) vanmorgen aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Vorig jaar mei presenteerde Braks zijn nota als beleidsvoornemen voor veranderingen die nodig zijn om in de jaren negentig tot een 'concurrerende, veilige en duurzame' landbouw te komen.

Het plan ging vervolgens naar meer dan vijftig adviesinstanties, waaronder het landbouwbedrijfsleven en de milieubeweging. Na deze inspraakronde waarin diverse instellingen ook ongevraagd van zich lieten horen besloot het kabinet om de in diverse opzichten bijgestelde nota als definitief kabinetsstandpunt uit te brengen. De nota is eveneens afgestemd op het Regeerakkoord van november 1989. Hoewel Nederlandse boeren per hectare ruim twee maal zo veel kunstmest gebruiken dan in de meeste EG-landen en bijna tien keer zoveel dan in de VS, komt er toch geen heffing op kunstmest. Vorig jaar meende Braks nog dat een beperkte kunstmestheffing wellicht nodig zou zijn voor de financiering van milieu-actieprogramma's in de agrarische sector. Ook meende hij toen dat het gebruik van agrarische grondontsmettingsmiddelen in tien jaar met 80 tot 90 procent zou moeten worden verminderd. In de definitieve structuurnota wordt uitgegaan van een reductie van 80 procent. Verder wordt een ammoniakheffing voor de bio-industrie overwogen. Daarmee moet een vermindering van 70 procent van de ammoniakvervuiling door dierlijke mest worden gerealiseerd. Braks stelt zich verder nog steeds tot taak voor eind 1994 een mestverwerkingscapaciteit van zes miljoen ton te halen. Meer geld dan hij daarvoor in 1989 op het oog had, wordt er niet voor uitgetrokken.

In het financieel overzicht van de Structuurnota landbouw is er 100 miljoen gulden minder uitgetrokken voor milieu-investeringen. Wel wil Braks enkele miljoenen extra besteden aan landbouwonderwijs, -onderzoek en -voorlichting alsook, zoals na zijn recente problemen met die sector al besloten was, 50 miljoen gulden meer uitgeven aan bijzondere maatregelen voor de akkerbouwers. Al met al komt er in de jaren 1990-1995 ruim 1,8 miljard gulden beschikbaar voor uitvoering van de Structuurnota landbouw. Dat is bijna 200 miljoen meer dan de minister in 1989 in gedachten had. Volgens de meeste natuur-en milieuorganisaties waren de milieumaatregelen tegen de bio-industrie in de eerste versie van de structuurnota landbouw volstrekt onvoldoende. Het Landbouwschap, agrarische produktschappen en diverse boerenorganisaties vonden de milieudoelstellingen echter te strikt en meenden bovendien dat daarvoor meer financiele steun moest worden gegeven. Volgens minister Braks echter blijkt dat het de agrarische sector, vooral de tuinbouw en de rundveehouderij, in 1988 beter ging dan in 1987 en dat zij door de invoering van duurzame, minder op pure produktie gerichte bedrijfssystemen moet meewerken aan verbetering van het, deels door haar aangetaste, milieu. Hij blijft bovendien van mening dat er in vijftien jaar 150.000 hectare aan de landbouw kan worden onttrokken.