Verval geschilderd met een lichte toets

Over het zand loopt een jongetje in een matrozenpakje. In zijn handen heeft hij een mooi stuk speelgoed, een zeilboot. Door het duister, dat te groot voor hem lijkt, vindt hij moeiteloos zijn weg naar de grote bruine kast. Hij kruipt erin weg. Het is Grisja. Hij is allang verdronken.

Abrupt komt hierna het landhuis uit Tsjechovs 'Kersentuin' tot leven: Ljoebov keert na een jarenlang verblijf in Parijs haar vluchtplaats na de dood van haar zoontje terug naar haar domein, en haar huis vult zich met de levendigheid en de warmte van het weerzien.

Maar het duistere begin heeft een andere, magische grondtoon gezet. Een toon die aansluit bij het geluid dat Tsjechov voorschreef op twee beslissende momenten van zijn tekst: 'als uit de hemel, een geluid van een gesprongen snaar, wegstervend, droevig.'

De manege ademt de geur van aarde, het landbouwplastic op het dak en tegen de ramen klappert in de wind. Onnadrukkelijk maar dwingend zijn in deze voorstelling de symbolen van het verval aanwezig.

Toch is De Kersentuin in de enscenering van Theatergroep Den Haag geen zwaar drama. Tsjechov zelf noemde dit stuk een komedie, en menig theatergroep heeft zich vertild aan de moeilijkheid om het einde van een tijdperk en het uiteenvallen van een familie luchtig te spelen.

Met visuele grappen zorgt Theatergroep Den Haag voor relativering. Terwijl het gezelschap zich geanimeerd met elkaar onderhoudt, is de toeschouwer getuige van de halsbrekende toeren van de oude lakei Firs (Jan van Dijck), die op een wankel krukje klimt om iets uit de kast te pakken. Dit soort stilistische ingrepen zijn vooral zo geestig omdat ze telkens iets meedelen over de personages. Nergens is de zorgeloosheid van Gajew (Wik Jongsma), de broer van Ljoebov, zo onaanvaardbaar als in de manier waarop hij een koekje uitprobeert. De alledaagse eigenaardigheden van de personages, waardoor je van hen gaat houden, brengen een lichte toets aan in de zwaarte van hun lotsbestemming. Zo komt Arda Brokmann in haar regie tegemoet aan Tsjechovs belangstelling voor sociale verhoudingen en het individu.

In uiterlijke verschijning zijn de personages vertegenwoordigers van hun klasse. De nette boekhouder, de sjofele eeuwige student, de fattige bediende uit Parijs: het zijn typen. Anja (Maaike Boulee) vertoont in bouw en gebaren overeenkomst met haar aristocratische moeder Ljoebov (Lisette Mertens), de stevigheid van haar aangenomen dochter Marja (Helene Vos), van eenvoudige komaf, contrasteert hiermee dramatisch.

Tegelijkertijd geven zij, met expressieve gebaren en mimiek, onophoudelijk blijk van een sterk individueel en innerlijk leven. Het maakt van deze 'Kersentuin' een mooi kijkspel. Je komt ogen tekort om ook de personages buiten het middelpunt van de belangstelling te volgen.

Koopman Lopachin (Hubert Fermin) eist het landgoed op en verjaagt daarmee de oude bewoners. Maar als Ljoebov over haar tragische leven vertelt aan haar broer die daarbij gewoon zijn krantje leest, zit Lopachin op de achtergrond en luistert; zijn handen verspelen het zand van de toneelvloer alsof haar verloren leven door zijn vingers gaat. Hij is sensitief, zo luidt de boodschap van zijn lichaam, maar als vertegenwoordiger van de nieuwe tijd zit hij gevangen in zijn rol van vrije ondernemer.

Hoe helder regie en beeld ook op elkaar aansluiten, het is jammer dat de voorstelling storing ondervindt van het niveauverschil tussen de spelers. Waar de uitdrukking van het innerlijk leven faalt, daar worden de humoristische fysieke gebaren leeg en grotesk. Verrassend en boeiend blijft deze niet-geactualiseerde opvoering van De Kersentuin wel.

Voorstelling: De Kersentuin van A. Tsjechov door Theatergroep Den Haag. Regie: Arda Brokmann; decor: Mirjam Grotegansey; spelers: Hubert Fermin, Lisette Mertens, Wik Jongsma, Jannie Houweling, Jan van Dijck, Maaike Boulee e.v.a. Gezien: 23/6, 's Gravenhaagse Manege, Den Haag. Nog te zien aldaar 27 t/m 30/6, 4 t/m 7/7.

    • Christien Boer