Verdachte mag DNA-onderzoek justitie weigeren

DEN HAAG, 2 juli Een verdachte kan niet worden verplicht 'tot het afnemen van tot het lichaam behorend en daarvan deel uitmakend materiaal, zoals wangslijm' om justitie in de gelegenheid te stellen tot het verrichten van DNA-onderzoek.

Dit heeft de Hoge Raad vanochtend bepaald. Deze uitspraak volgt op verzoek van de procureur-generaal bij de Hoge Raad het openbaar ministerie die gezien het belang van het onderwerp wilde dat het hoogste rechtscollege zich boog over een beschikking van de Maastrichtse rechtbank. Op 20 oktober 1989 bepaalde deze rechtbank dat een van verkrachting verdachte 43-jarige man uit Kerkrade niet verplicht kon worden via wattips wangslijm uit zijn mond te laten nemen om het DNA-patroon vast te stellen. Justitie wilde dit patroon vergelijken met de DNA-structuur zoals die bleek uit spermavlekken, die op een clownspak dat de verkrachter had gedragen, waren aangetroffen.

De Hoge Raad wijst erop dat de Grondwet het recht op 'onaantastbaarheid' van het lichaam garandeert. Slechts bij in de wet specifiek genoemde gevallen mag hiervan worden afgeweken. Het ministerie van justitie bekijkt nog of er een wettelijke regeling voor DNA-onderzoek moet komen. De Hoge Raad heeft zich niet uitgelaten over de vraag of de DNA-proef mag worden uitgevoerd met materiaal dat justitie op rechtmatige wijze heeft verkregen bijvoorbeeld door het vinden van een haar in een cel. Advocaat-generaal mr. J. C. M. Leyten zegt desgevraagd dat een DNA-proef in die gevallen volgens hem wel mag.

De Hoge Raad heeft vanochtend eveneens bepaald dat een verdachte wel kan worden verplicht mee te werken tot het afstaan van zijn geur. Het hoogste rechtscollege vernietigde een uitspraak van de rechtbank in Arnhem dat had bepaald dat een verdachte niet kan worden gedwongen mee te werken aan een zogeheten sorteerproef. Bij zo'n test stelt een speurhond vast of de geur van een verdachte overeenkomt met de geur van bepaalde voorwerpen.

Uit een derde uitspraak die de Hoge Raad vanochtend deed, blijkt volgens Leyten dat anonieme getuigenverklaringen alleen nog maar als aanvullend bewijs mogen worden gebruikt. De Hoge Raad zegt dat aan dergelijke verklaringen voor de bewijslevering 'meer eisen moeten worden gesteld' dan gebruikelijk was in Nederland. Dit naar aanleiding van de uitspraak van het Europese hof voor de rechten van de mens, het zogeheten Kostovski-arrest. De rechter dient zich voortaan altijd zelf te vergewissen van de identiteit van de getuige en hij moet een gemotiveerd oordeel geven over de betrouwbaarheid van de verdachte en over de redenen van de getuige anoniem te blijven. Een advocaat moet de getuige altijd vragen kunnen stellen via de rechter-commissaris.