Moratorium op jacht staat, voor vinvissen, ter discussie; Noordwijk gast walvisjagers

NOORDWIJK, 2 juli Afgevaardigden van veertig landen, die samen de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) vormen, zijn vandaag in Noordwijk bijeen om een week lang te vergaderen over de walvisvangst of wat er van die bedrijfstak nog rest nu bescherming van de walvis internationaal hoger staat genoteerd dan de jacht op dit bedreigde zeezoogdier. Sinds 1985/'86 geldt zelfs een moratorium op de commerciele walvisvangst, dat wil zeggen dat toen het doden van walvissen om geldelijk gewin tot nader order werd opgeschort. Toch zijn er sindsdien naar schatting nog 13.000 walvissen, voornamelijk dwergvinvissen, met granaten en harpoenen om het leven gebracht.

Deze tegenstrijdigheid vloeit mede voort uit het Walvisvaartverdrag van 1946, waarin staat dat een vangstverbod alleen bindend is voor die landen die daartegen geen bezwaar hebben ingediend. Destijds waren er drie landen die bezwaar aantekenden: Japan, Noorwegen en de Sovjet-Unie. Zij bleven inderdaad jagen. Onder druk van economische sancties, een wapen dat de VS in de strijd wierpen, stopten de Sovjet-Unie en Noorwegen in 1987 en Japan in 1988 met de vangst. Daar komt bij dat de walvisvangst voor wetenschappelijk onderzoek mocht doorgaan. Deze ontsnappingsclause pakte in de praktijk uit als dekmantel om de commerciele vangst voort te zetten. Praktisch aan de vooravond van de conferentie in Noordwijk heeft de Sovjet-Unie 'in het belang van de wetenschap' voorgesteld nog eens 170 tot 200 walvissen te doden.

Volgens mr. G. Drieman van Greenpeace kwam dit voorstel als een donderslag bij heldere hemel, 'omdat de Sovjet-Unie de laatste tijd de indruk had gewekt op bescherming van de walvis uit te zijn'. Drieman woont de vergadering bij als waarnemer namens Greenpeace. De officiele Nederlandse afgevaardigde in de IWC (die belast is met uitvoering van het Walvisvaartverdrag) is mr. F. von der Assen van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij.

Belangrijk gespreksthema wordt het effect van het moratorium op de walvisstand. Ook zou het wetenschappelijk comite van de IWC studeren op een algeheel beheersregime na jaren van overbevissing.

Gebleken is nu dat Japan en Noorwegen in afwachting van rapportage daarover de commerciele vangst willen hervatten. Noorwegen heeft aangekondigd de jacht te openen op 1.700 a 2.000 dwergvinvissen, de kleinste soort, die maximaal tien meter lang wordt, maar toch al gauw 10.000 kilo weegt. Het is commercieel gezien in elk geval de aantrekkelijkste soort. Ook Japan heeft het vooral op de dwergvinvis gemunt en wil het dier bejagen rond eigen land en in het Zuidpoolgebied. Beide vragen een zogeheten interim-quotum.

Openbreken

Volgens Drieman zou zowel Japan, waar walvisvlees nog altijd een delicatesse is, als Noorwegen het moratorium het liefst openbreken, maar daarvoor is een driekwart meerderheid nodig en zo'n groot blok zal zeker niet beschikbaar zijn, omdat de meeste landen zich bij de IWC aansloten om tot een betere bescherming van de walvis te komen. Ook de verzoeken om interim-quota maken weinig kans.

Intussen zou ook IJsland de jacht willen hervatten. Daartoe heeft dit land zich tot het wetenschappelijk comite gewend met de vraag wat de gevolgen zouden zijn van het jaarlijks afschieten van 200, 300 of 400 dwergvinvissen in de omgeving van het eiland. Volgens schattingen van de IJslanders zelf bevatten hun wateren tussen de 20.000 en 30.000 exemplaren van die soort.

Drieman beschuldigt Japan, Noorwegen en IJsland van 'ondermijnende activiteiten' in het walvisoverleg. Hij wijst erop dat de drie landen indertijd ook een voorbehoud hebben gemaakt bij het Verdrag van Washington (Cites), dat de handel in bedreigde diersoorten of onderdelen daarvan verbiedt. Ze wilden sommige walvisachtigen niet op de lijst hebben.

Wetenschappelijk

De walvisvangst voor wetenschappelijk onderzoek, waarmee dezelfde landen zich bezighouden, omschrijft Drieman als een 'wetenschappelijke vlag op commerciele lading' en hij voelt zich daarin gesteund door de 'beschermingsgezinde' partners in de IWC: 'Tot nu toe zijn alle onderzoekprogramma's via resoluties afgekeurd, maar het probleem is dat de IWC geen sancties kan treffen, al kan ze met haar besluitvorming natuurlijk wel druk uitoefenen'. Greenpeace wist tot tweemaal toe een commerciele lading onder wetenschappelijke vlag te onderscheppen, de laatste keer (1988) in Helsinki. Daar werden containers opengebroken, die 196.000 kilo walvisvlees bleken te bevatten, bestemd voor de Japanse consument. De Finse douane heeft naderhand de vracht in beslag genomen. Eerder had zich een dergelijke actie in de haven van Hamburg afgespeeld.

Drieman: 'Beide keren kwam het bedrog overduidelijk aan het licht. Die vrachten hadden niets met onderzoek te maken. Trouwens, wie gegevens wil verzamelen over de walvisstand, kan dat ook zonder dieren te vangen en te doden. Men wil zogenaamd kennis vergaren over de voortplanting en dergelijke, maar dat is allemaal al bekend. Geen enkel land heeft tot nu toe zijn wetenschappelijke pretenties kunnen waarmaken'. Diezelfde opvatting wordt gehuldigd door het Europese Parlement, dat vorige maand een resolutie aannam, die de wetenschappelijke vangst als nutteloos voor het doel (het onderzoeken en tellen van walvispopulaties) veroordeelt. Tegelijk werd er bij de IWC-landen op aangedrongen het moratorium strikt na te leven. Drieman: 'Die stem van Europa is een belangrijke steun in de rug voor al degenen die zich tegen heropening van de commerciele vangst verzetten'.