Kinderkast onderzoekt televisie-aanbod voor jongeren; Jeugdsluitpost voor omroep

Nederland vergrijst, maar nog steeds bestaat 26 procent van de bevolking uit kinderen en jongeren onder de 18 jaar. In 1989 waren dat 3.797.881 personen, waarvan maar een klein deel niet van Nederlands herkomst is. Deze kinderen kijken televisie. De groep tot 12 jaar kijkt gemiddeld anderhalf uur per dag of meer. De oudere groep kijkt evenveel, een kwart van hen heeft zelfs een eigen toestel. Televisie is voor kinderen en jongeren het belangrijkste medium en is naast het gezin, de school en leeftijdgenoten een grote bron van informatie. Kinderen leren van de tv hoe het eraan toegaat in het buitenland, hoe de natuur in elkaar zit en wat de laatste popmode is. Voor jongeren is de televisie het medium dat hen informeert over maatschappelijke ontwikkelingen en jeugdcultuur.

Tegenover dit grote belang van de tv staat het feit dat kinderen voor de omroep maar van weinig belang zijn. Het omroeplidmaatschap is enkel weggelegd voor personen van 18 jaar en ouder. De omroepen besteden met uitzondering van de VPRO, het IKON en de NOS niet veel aandacht aan kinderen. Met als gevolg dat veel ouders klagen over de programmering. Driekwart van hen vindt dat er regelmatig ongeschikte programma's voor kinderen worden uitgezonden. Om inzicht te krijgen in wat Hilversum voor kinderen doet heeft de werkgroep Kinderkast, een project van de Stichting Kinderpostzegels, de programma's geinventariseerd die in 1989 voor kinderen en jongeren werden uitgezonden. Ook werden omroepmedewerkers geinterviewd om uit te zoeken hoe de kinderprogrammering tot stand komt.

De meest opmerkelijke conclusie uit het onderzoeksverslag luidt dat het aandeel van Nederlandse programma's in het aanbod voor kinderen zeer snel daalt. In 1972 bestond nog 70 procent van de kinderprogramma's uit Nederlandse produkten, in 1982 was dat nog maar 48 procent en vorig jaar was de Nederlandse inbreng gezakt naar 40 procent. VPRO en NOS zijn de omroepen die nog meer dan de helft van hun kinderprogramma's zelf (laten) maken. Gezien de grote rol die de tv in de opvoeding van kinderen speelt, vindt de werkgroep de vermindering van het eigen produkt een slechte zaak. De auteurs verwijzen naar de Mediawet, die voorschrijft dat ten minste vijftig procent van de programmering 'made in Holland' moet zijn. Ze citeren een studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van 1972 waarin wordt gesteld dat idealiter 70 procent van het totale aanbod van een omroep van Nederlandse makelij moet zijn. De werkgroep Kinderkast meent dat het aan te bevelen is om voor kinder- en jeugdprogramma's de 'fifty-fifty'-regel apart van toepassing te verklaren.

Voor jeugdprogramma's is de verhouding overigens iets minder scheefgegroeid, een gevolg van het aanbod van VARA en KRO. Zij brachten de jeugd vorig jaar 50 procent eigen produkt. De KRO heeft, evenals EO, VPRO en NOS, een aparte afdeling voor jeugdtelevisie met een eigen verantwoordelijkheid en een eigen budget. Bij de andere omroepen koopt de afdeling inkoop de programma's in. Ook dat vindt Kinderkast een slechte ontwikkeling. Aparte kinderafdelingen zouden meer letten op de informatieve en educatieve waarde van de programma's, aldus het rapport.

Burny Bos, die voor de VPRO het aanbod op zondagmorgen opzette en nu zelfstandig producent van kinderprogramma's is, meent dat het onderzoekje op een ongelukkig moment is gemaakt. 'De grote omroepen hebben het ontzettend laten afweten', geeft hij toe. 'Maar volgens mij zijn we wel over het dieptepunt heen. De KRO heeft het afgelopen jaar veel interessant materiaal voor jongeren gebracht en bij de AVRO heeft men besloten veel aandacht aan kinder- en jeugdprogramma's te gaan besteden. Wij hebben met de AVRO een contract voor zestig uur programma' voor kinderen tot 12 jaar.' Dit neemt niet weg dat Bos alle aanbevelingen van Kinderkast onderschrijft, inclusief de opmerking dat het Stimuleringsfonds voor Culturele Omroepprodukties een grotere rol zou moeten spelen bij het tot stand komen van jeugd-drama. Bos heeft als eerste gebruik gemaakt van een subsidie van dit fonds voor een produktie voor kleine kinderen die de AVRO vanaf oktober uitzendt: 'Kinderen van Waterland'. 'De omroepen hebben zich altijd op een volwassen publiek gericht, omdat kinderen geen lid mogen zijn. Als er dan iets moet afvallen, bijvoorbeeld omdat de sport te duur wordt, zijn dat steeds de kinder- en jeugdprogramma's. Je kan dat voorkomen door de afspraken in de wet over de verhouding tussen binnen- en buitenlands en educatief en verstrooiend apart voor de kinderprogramma's toe te passen. Dat zou goed zijn en continuiteit geven.'

Over de opstelling van het Stimuleringsfonds is Bos enthousiast. 'Zij staan zeer positief tegen de ontwikkeling van goede kinderprogramma's, net als tegenwoordig het Filmfonds. Daar heeft men de afgelopen drie jaar een stimulerend beleid voor kinder- en jeugdfilms gevoerd, en niet alleen omdat op het festival in Berlijn tweemaal achter elkaar een Nederlandse jeugdfilm in de prijzen viel. Men beseft er heel goed dat de jeugd de basis vormt voor de filmcultuur, en dat geld ook voor een goede tv-cultuur. Als je als kind gezond leert eten, doe je dat later waarschijnlijk ook.'