Kamer buigt zich over plannen studiefinanciering

ROTTERDAM, 2 juli In het overleg dat de Tweede Kamer morgen heeft met minister Ritzen (onderwijs) over de studiefinanciering, zal ze zich niet beperken tot de veranderingen die de bewindsman in het beurzenstelsel wil aanbrengen.

Behalve over zijn nota 'Herorientering studiefinanciering' beschikt de Kamer over maar liefst drie alternatieve voorstellen: twee van de landelijke studentenbonden LSVb (Landelijke Studentenvakbond) en ISO (Interuniversitair Studentenoverleg), een derde van Groen Links, recent gepubliceerd onder de titel 'Valt er nog wat te ritselen?'. Daarnaast kan de Kamer ook nog praten over de bijdrage die Ritzens plaatsvervangend directeur-generaal voor het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek E. H. Broekhuizen onlangs leverde aan de afscheidsbundel voor de Leidse fiscalist prof. mr. J. F. M. Giele. Daarin schetst Broekhuizen op persoonlijke titel in enkele grove penseelstreken de hoofdlijnen van een stelsel dat past in de nieuwe relatie tussen overheid en onderwijs.

De alternatieven hebben met elkaar gemeen dat realisering ervan in de eerste helft van de jaren negentig uitgesloten is. Ritzen wil er wel over praten, maar intussen al wel zijn eigen maatregelen nemen om in 1995 zevenhonderd miljoen gulden te bezuinigen op het stelsel.

Ouderlijk inkomen

De alternatieven hebben nog iets anders gemeen. Als Kamer en Ritzen het er over een ervan eens zouden worden, komt er in elk geval een beurzenstelsel waarin het bedrag dat de student krijgt niet langer afhankelijk is van het inkomen van zijn ouders of partner. Het ISO en Groen Links houden via een achterdeur nog wel rekening met het ouderlijk inkomen: het ISO door de bijdrage van de 'rijkere' ouders in de studiekosten door de belastingdienst te laten innen, Groen Links door die beter gesitueerden dat bedrag in een fonds te laten storten waaruit de studiefinanciering wordt betaald.

Het ISO schetst een stelsel dat nog vrij dicht bij het huidige blijft: iedereen die recht heeft op studiefinanciering krijgt een basisbeurs en kan daar bovenop een bedrag lenen. De hoogte van de beurs is afhankelijk van het soort onderwijs en de woonsituatie van de student (op kamers of thuis). De studieschuld blijft beperkt en het terug te betalen bedrag is, net als nu, afhankelijk van het toekomstige inkomen.

Groen Links wil voor de studiefinanciering een apart fonds vormen. Ouders, overheid en oud-studenten moeten dat fonds vullen. De overheid betaalt in dit voorstel ongeveer hetzelfde bedrag aan studiefinanciering als nu (bijna vier miljard gulden - bij LSVb en ISO is de overheid de eerste jaren duurder uit maar op de lange termijn goedkoper omdat zij via de belastingen meer inkomsten boekt). Ouders worden bij Groen Links verplicht hun huidige financiele bijdrage te leveren. Oud-studenten krijgen een heffing opgelegd waarvan de hoogte afhankelijk is van het aantal jaren studie, hun inkomen en de hoogte van hun beurs. De hoogte van de beurzen kan jaarlijks varieren, afhankelijk van het aantal studenten. De studentenbonden moeten volgens Groen Links elk jaar een afspraak maken met de overheid over de beurs en en daarmee over het bedrag dat na de studie wordt geheven.

De LSVb heeft evenmin grote moeite met de introductie van het profijtbeginsel. De bond wil dat iedere ex-student gedurende een bepaalde tijd met een vast percentage van zijn inkomen bijdraagt aan de kosten van het onderwijs. De belastingdienst zou die bijdrage moeten innen. Ook voor de LSVb is de studiefinanciering een sociaal-verzekeringsstelsel: de hoogte van de beurzen moet gelijk zijn aan de uitkeringen voor, bijvoorbeeld, werkloze jongeren.

Collegegeld en andere onderwijskosten zijn taboe voor de LSVb, evenals voor Groen Links. Die zouden volgens de LSVb met name jongeren uit de lagere inkomensgroepen ervan weerhouden hoger onderwijs te volgen.

Collegegeld

Die laatste mening is plaatsvervangend directeur-generaal Broekhuizen niet toegedaan. Hij pleit juist voor een aanzienlijke verhoging van het collegegeld (nu 1.750 gulden per jaar), tot zo'n 5.000 gulden. Hij gaat ervan uit dat het persoonlijk profijt dat een student heeft van zijn studie aanzienlijk groter is dan de 17 procent van de onderwijskosten die hij nu gemiddeld betaalt. De student moet het hogere collegegeld kunnen lenen, onder dezelfde voorwaarden als op dit moment. De bijdrage van de overheid aan de universiteiten, hogescholen en eventueel scholen voor middelbaar beroepsonderwijs kan met hetzelfde bedrag omlaag, geld dat de de overheid zou moeten besteden aan het levensonderhoud van studenten. De student kan immers tijdens zijn studie niet werken en dus geen inkomen verwerven.

Het voordeel van zijn aanpak is volgens Broekhuizen dat studenten zorgvuldiger een studie zullen kiezen en alerter worden op de kwaliteit van het geboden onderwijs. De universiteiten en hogescholen die voor de financiering van hun onderwijs minder afhankelijk worden van een geldgever gaan dan bijna automatisch ook meer aandacht besteden aan de kwaliteit van hun onderwijs zelf, verwacht Broekhuizen.