Een troosteloze plattegrond van de ziel

In het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With zijn schilderijen te zien van twee jonge, niet-Europese kunstenaars: de Argentijn Guillermo Kuitca (1961) en de Mexicaan Julio Galan (1958). Het is niet voor het eerst dat zij hun werk in Europa tonen. Galan deed onder meer mee aan de grootscheepse manifestatie Magiciens de la Terre in Parijs, en Kuitca was vertegenwoordigd op de expositie van Latijns-amerikaanse kunst UABC in het Stedelijk Museum, beide ongeveer een jaar geleden. Deze exposities, ook die in Witte de With, zijn uitingen van een algemeen gevoelen dat onze zieltogende Westeuropese kunst baat zou kunnen hebben bij een wisselwerking met kunst uit niet-Europese landen.

Door JANNEKE WESSELING

Of dat laatste zo is valt op dit moment moeilijk vast te stellen, maar afgaande op het werk van Galan en Kuitca is er in tegenovergestelde richting zeker sprake van een vruchtbare beinvloeding. Beide schilders zijn sterk op het Westen gericht, met dit verschil dat Kuitca aansluiting zoekt bij de internationale ontwikkelingen en Galan, die een deel van het jaar in New York woont, juist kennis lijkt te willen nemen van de westerse kunst met het doel zich meer bewust te worden van eigen Mexicaanse traditie.

Kuitca schildert plattegronden zowel in de zin van landkaart als plattegrond van een huis in gedekte tonen van grijs en blauw. Deze schilderijen hebben een sombere, geladen sfeer; de plattegronden leeg en verlaten, nergens valt een menselijke figuur te bespeuren zijn plekken des onheils waar zich op de een of andere manier een drama heeft afgespeeld. De iets vroegere doeken tonen theatrale, decor-achtige ruimten, gezien in vogelvluchtperspectief, en ook komen er motieven in voor die aan film of theater zijn ontleend, zoals een van een trap vallende kinderwagen uit een film van Eisenstein. De recente doeken zijn minder literair of programmatisch van aard, terwijl hun schilderkunstige textuur verfijnder, verleidelijker is. Hiermee hebben ze aan zeggingskracht gewonnen. Mooi is bijvoorbeeld Wet Home, een gesimplificeerde voorstelling van een op een enkele stoel na leeg tweekamer-appartement, van bovenaf bezien door een raam dat bezaaid is met regendruppels. Dit trieste, eenzame beeld maakt, meer dan de eerdere schilderijen, duidelijk dat Kuitca's plattegronden metaforen zijn voor de ziel, ongeveer zoals in de droomduidingen van Jung het huis een metafoor is voor het innerlijk. Zijn schilderijen zijn ook een soort droombeelden, vol van een verstarrende angst die moeilijk nader is te omschrijven. Hetzelfde geldt voor Plan with Teardrops en Plattegrond gemarkeerd in de lijnen van de hand. Hier heeft Kuitca een fraaie spanning bereikt tussen het hoofdmotief en de ruimte eromheen: de plattegrond en de hand zijn precieze, rationele constructies, menselijke artefacten, die zweven in een atmosferische ruimte. Grote transparante tranen vallen uit het huis, hetzelfde huis dat gekerfd staat in de palm van de doorzichtige kunst-hand.

Raadselachtig

Galan schildert eveneens droombeelden, maar dit is dan ook de enige overeenkomst tussen het werk van beide schilders. Galan baseert zich op de surrealistische traditie, waar Frida Kahloo en Diego Rivera de belangrijkste vertegenwoordigers van zijn. Maar waar Kahloo herkenbare taferelen met steeds terugkerende thema's schilderde, construeert Galan raadselachtige voorstellingen waarvan de betekenis onduidelijk blijft. Door zijn zoetelijke, pseudo-naieve beeldtaal lijken deze schilderijen direct 'leesbaar', maar het tegenovergesteld is het geval. Galan plaatst op zichzelf bekende motieven bij voorbeeld voorwerpen die een rol spelen in de katholieke eredienst: rozenkrans, wijnkelk enzovoort in een zodanige context dat ze geen enkele betekenis meer hebben. Exotisme en een decadent soort schoonheid, zoals in het maanverlichte schilderij met blauwe en witte viooltjes El que se viene se va, creeren een mengeling van symbolisme en surrealisme, maar wel van een oppervlakkige soort.

In de catalogus wordt het werk van Galan, met zijn kitscherige beeldtaal en verschillende werkelijkheidniveaus, beschreven in termen van 'postmoderne gelaagdheid'. Hij wordt daarbij maar liefst gesitueerd tussen Kahloo en Warhol. Dit is misschien aardig als theoretische gedachtengang, maar het geeft Galans werk een gewicht dat het van zichzelf niet heeft. Zijn schilderijen moeten het vooral hebben van uiterlijke, visuele effecten, en meer dan dat kan ik er niet in ontdekken. De stelling dat deze schilders 'belangrijk nieuws' brengen, zoals organisator Chris Dercon in zijn voorwoord betoogt, is dan ook overdreven. Voor zover ik begrijp heeft dit belangrijke nieuws te maken met 'de plek van waaruit zij de wereld waarnemen: Monterrey en Buenos Aires'.

Het is geen vooruitgang wanneer we kunstwerken moeten bezien en gaan waarderen 'vanuit' hun verbondenheid met het land van ontstaan. De beeldende kunst is bij uitstek een internationale kunstvorm en ook al kan je soms plaatsgebonden kenmerken signaleren, met de betekenis of het belang van een kunstwerk heeft die plaatsgebondenheid niets te maken.