Duitse eenheid

DE BEELDEN VAN de chaos zaterdagnacht op de Alexanderplatz in Oost-Berlijn, waar om klokslag middernacht de Deutsche Bank de eerste D-marken aan DDR-burgers begon uit te betalen, illustreren de fascinatie die deze munt bij velen oproept. Mensen drukken elkaar bewusteloos om dit symbool van economisch succes, van het Wirtschaftswunder, in handen te krijgen. Met een bundeltje D-marken in de binnenzak zal dit 'Wunder' zich nu ook aan hen voltrekken, zo leken zij te denken. Verwonderlijk is dat niet. De burgers van de (nog) DDR weten dat invoering van harde valuta een van de belangrijkste maatregelen is voor herstel van hun verpauperde en vervuilde land. Voor hen vertegenwoordigt de D-mark bovendien al datgene wat zij in de DDR niet hadden: vrijheid en welvaart.

Twee elementen in het bijzonder hebben hun dat duidelijk gemaakt in de periode voorafgaand aan de onbloedige revolutie in de herfst van vorig jaar. Dat waren het verbod om vrij naar het buitenland te reizen en de Trabant. Veertig jaren communistische plan-economie hadden geen beter voertuig kunnen voortbrengen dan dit stinkende, altijd kapotte kunststof-wagentje. Dat zei veel meer over het falen van het systeem dan honderden andere in de winkels niet aanwezige produkten. Reizen en auto's deze twee authentieke behoeftes kon het regime niet bevredigen. De meeste mensen in de DDR weten nu wel dat met de D-mark in hun zak het paradijs niet aanbreekt, maar zonder deze biljetten zou hun situatie er alleen maar slechter op kunnen worden.

VOOR HET HERSTEL van hun samenleving is invoering ervan een eerste stap. De echte problemen komen nu pas. Zullen het Westduitse geld en vernuft genoeg zijn om de hele Oostduitse samenleving, van kleuterschool tot computerindustrie, te herstructuren? Men kan bij de Westduitse industrie de laatste tijd een toenemende aarzeling constateren om zonder garanties op een uiteindelijk gunstig resultaat in het DDR-deel te investeren. Een van de redenen daarvoor vormt de gigantische milieurekening die hun boven het hoofd hangt. Er is bijna geen pompstation in de DDR dat niet tot vele tientallen meters diep in de grond is vervuild, laat staan raffinaderijen en chemische fabrieken.

Het belangrijkste dilemma waar de nieuwe D-mark-unie van de beide delen van Duitsland in de komende tijd op economisch terrein mee te maken krijgt is: het succesvol opstarten van die economie is alleen mogelijk als het kostenvoordeel van lagere lonen nog enige tijd blijft bestaan. Het risico daarvan is echter dat juist dat voorbestaan van lagere lonen een nieuwe golf van uitreizen naar het westelijk deel tot gevolg zal hebben, met vele negatieve consequenties voor de stabiliteit. Deze 'duivelskring' laat zich ook anders formuleren: als de Oostduitse burgers geen geduld hebben zal het economisch herstel falen; faalt het economisch herstel dan verliezen de Oostduitsers hun geduld.

INTELLECTUELEN IN zowel Duitsland als in omringende landen maken er zich de laatste tijd zorgen over dat met het verdwijnen van de DDR ook bepaalde progressieve sociale en culturele verworvenheden van dat land verloren gaan. Zij zouden zich met deze Duitse hereniging wellicht beter kunnen verzoenen wanneer zij zich nog eens het volgende in herinnering riepen: na veertig jaar socialisme was de DDR een extreme klassenmaatschappij. De hoogste partijbazen konden zich alles permitteren, de lagen daaronder werden beloond met privileges, arbeiders en intellectuelen hadden niets, zelfs geen meningsvrijheid.

Een werkelijk vrije, democratische en welvarende samenleving ontstaat pas nu in Oost-Duitsland, door de eenwording met de Bondsrepubliek. Dat burgers aan beide zijden van de oude grens zich zorgen maken in hoeverre de veranderingen voor hen persoonlijk een negatieve uitwerking zouden kunnen hebben, is begrijpelijk. Het bewijst dat deze Duitse eenwording een hele nuchtere eenwording is, die zich al maandenlang voltrekt zonder nationalistische demagogie van de leiders en zonder Duits-nationalistische uitingen van de bevolking. De beelden op de Alexanderplatz bevestigen het: de Duitsers daar worden gedreven door de behoefte aan vrijheid en welvaart, niet door nationalistische dromen. En dat is goed.