Duin en bos, akker en weide als bronnen van inspiratie

Wat de beeldende kunst betreft is de expositie in de Oude Ursulakerk van Warmenhuizen elke zomer een der hoogtepunten van de cultureel-toeristische manifestatie Toer-in die de Culturele Raad Noord-Holland tussen juni en september pleegt te organiseren. De tentoonstellingen in de dertiende-eeuwse pseudobasiliek in het dicht bij Schagen gelegen dorp waren sinds 1965 vooral gewijd aan schilders met een voorkeur voor expressionistische landschapsbeleving. Noord-Holland was met zijn kunstenaarsgroepen in Laren, Kortenhoef, Volendam en vooral met zijn tot een school verheven stroming rondom Bergen, Schoorl en Groet inspiratiebron voor enkele generaties in deze zin bewogen kunstenaars.

Sinds de Bergense school is het dat gebleven voor vele tientallen enkelingen: voor individualisten die, puttend uit het tussen snelwegen en industrieterreinen resterende landschap en soms ook uit de in de provincie wortelende traditie, hun eigen baan trekken. Scholen en kolonies immers zijn in het ik-tijdperk uit de mode geraakt. De provincie met zijn dicht bij elkaar gelegen landschappelijke varianten, zowel duinen en bos als akkers en weiden, zowel zee als poldersloten en meren, blijft toch actueel nu er een hernieuwde aandacht valt te bespeuren voor een op natuur-observatie geente figuratie. Kunstenaars wonen en werken er of komen er in een bepaalde periode voor kortere of langere tijd op bezoek. Dat was vroeger zo en het is nog steeds zo.

In Warmenhuizen is gedurende de afgelopen kwart eeuw aandacht geschonken aan deze Noordhollandse expressionisten, waarbij overigens niet al te enghartig aan de provinciale en kunstzinnige grenzen werd vastgehouden. Geestverwanten van elders kwamen ruim aan bod, evenals het werk van thematisch en stilistisch andersdenkenden. Hoe gevarieerd het aanbod in de kerk de laatste 25 jaar is geweest, wordt deze zomer duidelijk op de jubileumtentoonstelling Een keuze, samengesteld uit de collecties die eerder op solo- en groepstentoonstellingen hingen.

Er zijn 58 werken van twaalf kunstenaars met de Vlaming Gustave de Smet en Leo Gestel als uitgangspunten en de Groninger Jan Altink en de Fries Johan Haanstra als noordelijke verwanten. De Smet week in de Eerste Wereldoorlog naar ons land uit en had er zijn expressionistische invloed. Zijn kracht wordt in Warmenhuizen vooral gedemonstreerd in het schitterende schilderij Danslokaal uit 1921, een groot doek met de donkerbruine rookschemering van een bedenkelijke kroeg waaruit behalve glazen de vreugdeloze gezichten opdoemen van gretige meiden en de tronies van grijpgrage kerels. De gezichten zijn tot smoelen verworden, hard, wreed, gericht op zuipen en lust. Het is een expressionistische toepassing van het kubisme met een totaal andere bedoeling dan die van Leo Gestel toen deze op Mallorca het landschap in pastelgekleurde vlakken opdeelde. Een van die vele en dikwijls nagevolgde Mallorca-schilderijen is op de tentoonstelling te zien als inleiding op Gestels terugkeer naar een directere landschappelijke opzet, die tot diep in de jaren twintig van grote invloed zou zijn op de schilders die in hun door bruin getemperde kleuren kenmerkend voor de Bergense school werden geacht.

Fietsers

Intussen was in Groningen Jan Altink actief, hij was er een van de oprichters van de vereniging De Ploeg, die zich op het Duitse expressionisme richtte. Hoe dicht deze Groningers en de Noordhollanders bij elkaar stonden en staan, blijkt in Warmenhuizen uit een vergelijking van de schilderijen Fietsers (1925) van Altink en Op de fiets (1972) van Dirk Breed. In beide voorstellingen spoeden op de rug waargenomen wielrijders zich langs de eindeloosheid van een vaart of een polderweg naar een ver weg op de horizon gelegen verdwijnpunt. Die eenzame leegte van het landschap, geaccentueerd door rijen bomen en telegraafpalen, ligt ten grondslag aan beide schilderijen, waarbij de Noordhollander Breed zich overigens exotischer uit dan Altink deed. Breed suggereert met een van buiten de lijst in het doek stralende kleurgloed dat er gevaren dreigen in de polderleegte. Zijn fietser doet er goed aan op tijd binnen te zijn. In een ander schilderij laat Breed rode pakhuizen onder een groene lucht opgloeien, of er staan rode bomen in een stille, verder donkere straat. Altink is wat nuchterder, wat directer in zijn picturale mededelingen. Maar soms zeer indrukwekkend, zoals in het schilderij Kleiland, waar de paarse silhouetten van boerderijen en bomen op de horizon achter een woest gescheurde akker staan.

De Fries Johan Haanstra beweegt zich tussen de exposanten via eigen, bijna abstracte wegen met geografisch aangeduide composities van kleurvlakken (de titels zijn bij voorbeeld Hoge Beintum of Drongeradeel), die de gedroomde plattegronden van geliefde plekken kunnen zijn. Opvallend in de Oude Ursulakerk zijn ook de poetische strandimpressies van Harry Kuyten, de zeer verschillende opvattingen van Friso ten Holt en Jan van Herwijnen, tot uiting komend in hun stillevens, de polders en koeien van Jaap Min. De in het perspectief kantelende schematiseringen en de naieve vereenvoudigingen van Min doen soms denken aan het werk van de Friese expressionist Gerrit Benner, die echter ook met het toch zo totaal andere werk van Haanstra te maken heeft.

Hoewel van de twaalf exposanten in Warmenhuizen er nog vier in leven zijn, moet de tentoonstelling worden gezien als een recente geschiedenis van de Noordhollandse en met hen verwante expressionisten. Elders in de provincie zijn in het kader van de Toer-in aansluitende exposities ingericht, terwijl er in deze zomermaanden ook tientallen andere evenementen zijn te beleven, varierend van orgelconcerten, theater- en poppenvoorstellingen, een poezieroute in Callantsoog tot beeldentuinen en IJsselmeertochten. Een compleet programma staat afgedrukt in een overal gratis verkrijgbare Toer-in-krant.

Tentoonstelling: Een keuze, t/m 19/8 in de Oude Ursulakerk, Warmenhuizen. Geopend: 13-17 uur.

    • Bas Roodnat