Vrouwen zijn van een andere orde; Expositie van Titiaanin het Dogenpaleis

De Venetiaanse schilder Titiaan, die ongeveer vijfhonderd jaar geleden werd geboren, was de eerste psychologische portrettist. Hij schilderde de grote mannen van zijn tijd en werd daarmee beroemd. Maar het portretteren van vrouwen ging hem minder goed af. 'Misschien lagen hun meest menselijke trekken verborgen achter een masker van rouge en blanketsel'.

Bijna tachtig van zijn schilderijen zijn nu bijeengebracht in het Dogenpaleis in Venetie.

De plaats is goed, de lichtval ook, maar het monument zelf is een monstrum. Hier, in een van de grootste kerken van Venetie, de Santa Maria Gloriosa dei Frari, staat het mausoleum van de grootste schilder die de stad gekend heeft: Titiaan. Met dit pompeuze bouwsel werd de schilder in de eerste helft van de negentiende eeuw geeerd. De beeldhouwer Canova had een veel origineler mausoleum voor hem ontworpen: een piramide met wenende vrouwen ervoor. Door een speling van het lot werd dit ontwerp wel uitgevoerd en nog wel in dezelfde kerk, maar kwam Canova's eigen gebeente hierin te liggen. Voor Titiaan fantaseerde men dit eclectische monstrum bij elkaar.

Venetie eert Titiaan, de schilder die in 1486, 1488 of misschien wel in 1490, dus ongeveer precies vijfhonderd jaar geleden werd geboren in een stadje in de Italiaanse Alpen, als Tiziano Vecellio. Tot zijn dood in 1576 was hij de standaard van de Italiaanse schilderkunst, een schilder, van wie het werk al tijdens zijn leven onbetaalbaar werd, die door dogen, hertogen, koningen, keizers en pausen naar hun respectievelijke hoven werd geroepen, maar die altijd weer terugkeerde naar Venetie. Titiaan, zonder wie Rubens, Van Dijck, Frans Hals en Rembrandt andere portretschilders zouden zijn geweest. Venetie herdenkt Titiaan in het Dogenpaleis met een tentoonstelling van bijna 80 schilderijen, geleend uit binnen- en buitenland, een fractie van het totale, nog bestaande oeuvre, dat wordt geschat op enkele honderden schilderijen. Niet het dogenpaleis, maar de kerk van de Frari is een goede plaats om een Titiaanpelgrimage te beginnen. Niet zo zeer omdat hij daar begraven ligt, of omdat er een altaarstuk van zijn leermeester Bellini hangt, maar vooral omdat hier twee grote vroege werken van hemzelf hangen. Op hun oorspronkelijke plaats.

Titiaan was al jong opgeleid in het atelier van Giovanni Bellini, toen de toonaangevende Venetiaanse schilder. Zijn talent werd direct herkend en hij kreeg al snel belangrijke opdrachten. In 1510 stierf zijn meest begaafde medeleerling Giorgione en toen zes jaar later ook de stokoude Bellini overleed, was Titiaan de onbetwiste sterschilder van Venetie geworden. Hij kreeg de vererende opdracht tot het schilderen van een nieuw altaarstuk voor de Frari-kerk. Zijn in 1518 voltooide Maria Hemelvaart schokte door zijn gedurfde compositie. En nog steeds domineert dit wervelende, zeven meter hoge schilderij de kerk. Er hangt hier nog een tweede werk van Titiaan. Het is een opdracht van de familie Pesaro geweest en stelt de gebroeders Pesaro voor, die als in een stichtersportret links en rechts geknield zijn afgebeeld. Over hen, over Petrus en over de andere familieleden heen kijkt Maria toe, met een stribbelende Christus op schoot. Tot zover ligt de aandacht van de personages binnen het schilderij. Maar tussen alle in gebed verzonken gezichten valt een uitzondering op. Geheel rechtsonder zit het zoontje van een der opdrachtgevers. Hij valt niet alleen op omdat het licht op zijn gezicht en zijn witte overhemd valt, maar ook omdat hij het schilderij uitkijkt. Hij doet niet mee; nieuwsgierig kijkt hij de toeschouwer aan. Titiaan heeft door middel van dit figuurtje een band tot stand gebracht tussen toeschouwer en voorstelling, maar het jongetje zet in zekere zin het hele schilderij op losse schroeven, doordat hij ontsnapt aan de voorstelling. Het is een vingerwijzing naar het genre waarmee Titiaan de allerhoogste roem verwerven zou: het portret.

Dromerig

In het Dogenpaleis hangen Titiaans schilderijen chronologisch na elkaar zodat men zijn ontwikkeling op de voet kan volgen. De schilderijen hangen goed belicht in zestien zalen die elk op zichzelf ook het bewonderen waard zijn. Maar de plafonds, schilderijen en schoorsteenmantels die tot het interieur behoren zijn in halfduister gehuld en zo naar het tweede plan verdrongen. Dat is pas culturele luxe. Men kan volgen hoe Titiaan zich heeft bevrijd van de invloed van Bellini. Hoe hij eigenzinnige composities bedacht, hoe hij afstand nam van de warme intieme kleuren van zijn meester en die verruilde voor een expressiever, rauwer coloriet. Hoe hij tenslotte ook steeds ruwer de verf opbracht. Men loopt langs heiligen en martelaren, langs Griekse en Romeinse helden, langs pastorale taferelen en allegorieen, waarbij het opvalt dat de mannenlichamen worden gekenmerkt door een krachtige musculatuur, door energie en actie, zoals op het fresco dat zich in het Dogenpaleis en dus nu ook in de tentoonstelling bevindt van de heilige Christoforus. Maar er is ook gefnuikte energie, zoals in het lichaam van de onthoofde Goliath, of bij Prometheus wiens lichaam machteloos aan de kettingen rukt, terwijl de arend zijn lever uitpikt. De vrouwenfiguren zijn ook geidealiseerd. Maar het zijn of etherische personages, of weelderige, spierloze wezens: dromerig vlees, begeerd voor het slaapvertrek door menig Europees vorst. Wat bij Titiaan de fysieke kracht is van de mythologische en bijbelse figuren, wordt mentale kracht in zijn portretten. Titiaan is de eerste grote psychologische portrettist geweest, van mannen, van kinderen, zelfs van honden, maar niet van vrouwen.

Die zijn bij hem van een andere orde. Die hebben in houding en gelaat iets stijfs, iets geposeerds. Misschien omdat hij ze mooier, geidealiseerder en dus onpersoonlijker heeft moeten schilderen dan ze waren, misschien ook dat in werkelijkheid hun meest menselijke trekken verborgen lagen achter een masker van rouge en blanketsel. En dat Titiaan hun kleding kleuriger en geschakeerder weergaf dan die der mannen, maakte hun persoonlijkheden niet levendiger. Zijn loopbaan als portrettist breidde zich uit van Venetie naar Mantua, Ferrara, Urbino, Florence en Milaan. Hij schilderde de Franse koning Frans I, keizer Karel V en diens zoon Filips II en verschillende pausen, kortom de groten der aarde. Hij werd er voor geridderd, de paus benoemde hem tot ereburger van Rome en de roem en de vorstelijke honoreringen die hem toevielen gaven hem de mogelijkheid in zijn kunst werkelijk vrij te zijn. Die vrijheid heeft hij volledige benut.

Essentieel

Het is moeilijk te zeggen waar die overrompelende indruk van zijn portretten nu uit voortkomt en het is maar goed dat dat een raadsel blijft. Hoogstens zijn er een paar formele opmerkingen te maken zoals over de compositie. Die is onnadrukkelijk aanwezig maar altijd zo stevig, zo hecht, dat daaruit alleen vastberadenheid van de geportretteerde spreekt. Want het zijn natuurlijk allen mannen van formaat. Potentaten ongetwijfeld, maar met een grote waardigheid. Titiaan weet de compositie te behoeden voor stijfheid, door een suggestie van beweging, door een licht handgebaar, door een kleine draaiing van het hoofd ten opzichte van de romp, of van de ogen ten opzichte van het hoofd. Een kunstgreep die Frans Hals later verder zal uitbuiten. Een enkel detail in de kleding voorkomt ook een te grote strengheid, zoals het delicaat naar beneden hangende witte koordje van het kapje van een doge. De ruimte waarin de geportretteerde zich bevindt is steeds minder prominent aanwezig. Vaak is er alleen maar een egaal donker decor. Zo wordt het oog niet afgeleid door een achtergrond. Ook attributen die functie of waardigheid moeten aangeven worden gereduceerd. Zo dwong Titiaan zichzelf om de essentie van de geportretteerde te concentreren in het gelaat. Soms zijn het alleen de ogen, of zelfs een enkel oog. Het gezicht is ook fijner geschilderd dan de rest van het lichaam of van de kleding. Het is vooral in de schildertechniek, dat Titiaan zijn vrijheid optimaal heeft benut. Anders dan in zijn tijd gebruikelijk was werkte zonder een getekende voorstudie. Dat is hem nog op enig gemopper van Michelangelo komen te staan, al had die grote waardering voor zijn kleurgebruik. Titiaan is in toenemende mate gedurfder, expressiever gaan schilderen. Zijn schilderwijze is daarbij niet alleen afbeeldend, maar krijgt iets dat in de buurt komt van tastbaar. Een mantel kan hij suggereren door enkele vegen. Ruwe smeersels zijn het, meer niet. De knopen van doge Andrea Gritti zijn pasteus opgebracht, het is bijna beeldhouwwerk. Van dichtbij is het rauwe morsigheid, van een afstand heeft het een veel krachtiger effect dan de fijnschildering uit zijn vroege jaren.

Titiaan deed lang over zijn schilderijen. Een tijdgenoot, Jacopo Palma de Jongere, beschreef hoe hij aan verschillende schilderijen tegelijk werkte, ze soms maanden met de voorstelling naar de muur liet staan, ze dan weer eens omkeerde en bekeek 'alsof het zijn doodsvijanden waren geworden'. Titiaan had zijn werk als het ware laten rotten en ontdekte nu de zwakke plekken. Hij trad dan op, zo schrijft Palma, 'als een heilzame dokter, die een zieke behandelt', verwijderde waar nodig gezwollen of overtollig vlees, maakte een arm recht, verplaatste een voet. Hij attaqueerde het schilderij met zijn verf en werkte in de laatste fase meer met zijn vingers dan met zijn penselen. Recent rontgenonderzoek bevestigt dit beeld van de vele veranderingen. Een andere tijdgenoot, de schilder en biograaf Vasari vermeldt hoe onhandig de schilderijen van de navolgers van Titiaan waren. Zij dachten dat ze met eenzelfde gemak de brede vegen konden aanbrengen en eenzelfde effect konden bereiken. Ze vergaten dat je daar lang voor geleefd, gekeken en geschilderd moet hebben.

Van Titiaans zelfportretten zijn er twee bewaard gebleven. Ze hangen naast elkaar op de tentoonstelling. Ze suggereren een onverzettelijke waardige persoon, die zich op eenzelfde hoogte wist als de geleerden en dichters met wie hij bevriend was en met de vorsten die hem eerden. Titiaan heeft de status van de schilder dan ook op het allerhoogste plan gebracht.

Tiziano. Tentoonstelling in het Dogenpaleis te Venetie. Tot 7 oktober. Daarna, van 28 oktober tot 27 januari te zien in de National Gallery te Washington. Prijs catalogus: 50.000 lires