Autobiografie van Miles Davis; Overal littekens

Toen trompettist Miles Davis vorig jaar voor de zesde keer in successie op het North Sea Jazz Festival verscheen, werd daar maar weinig aandacht aan besteed. Over Miles Davis zelf was, zo dacht men, het laatste woord wel gezegd. Dat hij nog steeds een groot publiek kon boeien, was geen nieuws. Dat hij niets voelde voor een jaren zestig revival, was ook algemeen bekend. Dat hij van mooie kleren hield, een pruik droeg, nieuwe heupen had en ooit cold turkey van de heroine was afgekickt, dat wist intussen ook iedereen, hetzij uit de uitstekende biografie van de Engelse trompettist Ian Carr, hetzij van de grote meester zelf die na zijn comeback eindelijk was gaan praten. Van Miles Davis was intussen alles wel bekend, althans dat dacht men.

Totdat tamelijk onverwacht Miles Davis: the autobiography verscheen, een dik boek dat vriend en vijand verraste. Zo karig als Davis altijd met zijn noten was geweest, zo weinig ook bleek hij, tot aan het verschijnen van dit boek, te hebben prijsgegeven van wat hij tijdens zijn 40-jarige carriere had meegemaakt. De critici boden dan ook tegen elkaar op in het gebruik van superlatieven en uitgever Van Gennep zette niet minder dan vijf vertalers aan het werk om de Nederlandse editie zo snel mogelijk op de markt te brengen. Dit alles met als resultaat dat Miles Davis aan de vooravond van zijn zevende North Sea optreden (op 13 juli in de enorme Statenhal) bijna naakt voor ons staat.

Bijzonder aan de in samenwerking met dichter, journalist en literatuurdocent Quincy Troupe vervaardigde autobiografie is allereerst de toon. Veel meer dan andere levensverhalen van jazzmusici worden in dit boek de rauwe klanken van straat en kleedkamer gecombineerd met heldere meningen en intelligente inzichten. Davis mag graag het jargon van de straat hanteren (zeer veel motherfucker en bullshit) maar hij blijft de goed opgeleide en lang niet domme zoon van een tandarts uit St. Louis.

Alcohol, drugs en rock and roll, seks, racisme en ander geweld; Davis beschrijft zijn ervaringen mee zonder ook maar een ogenblik moralistisch of sentimenteel te worden. Iemand die heroine gaat gebruiken is gewoon een stommeling die zijn onafhankelijkheid en daarmee zijn trots verliest. Hoe dat bij hem zelf ging, beschrijft hij in passages zoals deze: 'Ik bevond me in een dikke mist, was altijd high en had in 1951/52 een stel vrouwen die tippelden ten bate van mijn verslaving. Maar het was niet wat de mensen dachten: die vrouwen wilden gewoon iemand om zich heen en mij vonden ze aardig. Ik nam ze mee uit eten en zo. Ik respecteerde hen en als wederdienst gaven ze mij geld om te spuiten. We sliepen ook wel samen, maar dat stelde niet veel voor, want heroine neemt al je behoefte aan seks weg. Mijn vaste vriendin was de heroine.'

Provocerend

Ook jegens andere helden uit de jazz is Davis sterk in het doorprikken van mythes en het doen van provocerende uitspraken. Altsaxofonist Ornette Coleman is een 'jaloers mannetje' dat denkt dat je zonder studie zomaar trompet kunt gaan spelen. Archie Shepp is een 'incompetente klootzak', pianist Cecil Taylor 'iemand die zo hoog nodig moest laten zien hoeveel techniek hij wel niet had' en het nieuwe trompetwonderkind Wynton Marsalis een 'leuke jongeman' die echter op het foute spoor zit en alleen maar dooie rotzooi' speelt.

Bijna als een 'broedermoord' klinkt het verhaal over altsaxofonist Charlie Parker bij wie Davis van 1946-48 speelde. Het muzikale resultaat van deze samenwerking is inmiddels al lang klassiek, maar aan de omgang met de groep van Parker heeft Davis weinig aangename herinneringen. Zo wilde drummer Max Roach altijd ruzie maken met pianist Duke Jordan omdat die volgens hem altijd de maat versjteerde. Erger dan deze onenigheden was het gedrag van het zwaar verslaafde saxofoongenie Charlie Parker zelf. Het luisteren naar zijn muziek bezorgde Davis 'het meest fantastische gevoel dat ik ooit heb gehad (met mijn kleren aan)', maar voor Parker als mens heeft hij weinig goede woorden over. Het was een 'walgelijke en hebberige klootzak' die van iedereen geld leende en nooit teruggaf. Hij schrok er zelfs niet voor terug drugsdealers voor de betaling door te verwijzen naar Davis. 'Dan kwamen die kerels langs en keken me aan alsof ze me wilden vermoorden.' Buitengewoon ambivalent uit Davis zich over zijn twee grote trompetcollega's Louis Armstong en Dizzy Gillespie: 'Hoezeer ik ook op Dizzy gesteld ben en hoe dol ik ook was op Louis 'Satchmo', toch heb ik altijd een hekel gehad aan de manier waarop die voor het publiek stonden te grinniken. Ik begreep wel waarom ze het deden maar ik zag mezelf niet als entertainer, zoals zij, ik wilde als musicus geaccepteerd worden.' Het zijn slechts enkele van de tientallen prikkelende meningen, rake observaties en kostelijke anekdoten uit dit boek. Aan de muziek van Miles Davis op het komende North Sea Jazz Festival zullen ze niets veranderen, wellicht wel aan de beleving door de mensen die er bij zijn. Miles Davis is een man die spannend heeft geleefd. Hij draagt er niet alleen de sporen van 'Ik heb overal op mijn lijf littekens, behalve op mijn gezicht' maar heeft er ook nog spannend verslag van gedaan.