Albert Verwey aan zijn (stief)moeder Leentje ...

Albert Verwey aan zijn (stief)moeder Leentje Verwey-Hesta en zijn broer en (stief)zusters Maxwell House, Cimarron, New Mexico. 2 Aug -83

Beste moe, broer en zusterkens! HET IS LANG geleden dat ik mijn laatste brief schreef uit Chicago als ik me niet vergis. Sinds een week ben ik nu in Cimarron, waar we de gasten zijn van Mr Frank R. Sherwin, President der Maxwell Land Grant Company. Ik heb hier veel copy moeten maken en was voor de rest zoo neergedrukt door de overgroote massa tafreelen, die ik op reis gezien heb, dat ik geen kans zag iets te beschrijven. Ik wacht ook al de heele week op brieven van u en de kennissen ik heb na die drie brieven in New York nog niets ontvangen en dat is nu ruim drie weken: voor iedere week een brief, daar krijg ik bepaald honger bij. Maar het is ook waar dat een antwoord op mijn geschrijf uit Amerika hier niet voor den 8sten Aug. ongeveer zijn kan. Dat ik nu zoo aan 't lamenteeren ben komt van den regen, die er vandaag pleizier in heeft zijn langdradigheid te doen bewonderen.

Ik zal u liever eens vertellen hoe het mij hier gaat maar dan moet u ook gauw schrijven hoe het u allemaal gaat in Holland en of ze er nog altijd beter boter maken dan ik hier krijg.

Zooals ik zei zijn we te gast bij Mr Sherwin. Hij liet ons te Springer van spoor halen door zijn zoon en zijn zwarten knecht met rijtuig met 4 paarden. Drie uur gereden, toen kwamen we in Cimarron: we hadden op de reis daarheen gelegenheid een deel van het land te zien allemaal weiland uren aan uren en overal in de rondte bergen, waar de gevaarlijke grizley beer huist met een stuk of wat andere beeren, een onmogelijk aantal ratelslangen, die we met een wandelstok doodslaan, een soort kat, die een mensch in zijn beenen pleegt te bijten zoodat hij binnen 24 uur dood gaat en zeer lieftallige antiloopjes die bij 't wandelen bijna over mijn voeten springen en waarvan Miss Sherwin een aan een blauwzij lint meeneemt, als ze uitgaat.

Wat die gevaarlijke creaturen betreft kan ik u echter ter geruststelling verzekeren dat een bewoner van Cimarron nog eenigen last van ze gehad heeft omdat ze hooger blijven in het gebergte dan een fatsoenlijk mensch gewoonlijk opkloutert.

Ik zag zelfs in het gebergte een man liggen slapen op den grond onder zijn kar wel een bewijs dat men zich niet bang behoeft te maken. Al gaat men ook, als ik gisteren deed, een uurtje door de bergen in 't donker. Prachtige bergpartijen heb ik gezien: als men niet vroeger in een bergland geweest is staat men daar verbaasd van: het is geheel nieuw. De wolken lijken vlakbij en sommige toppen zag ik gisteravond door een wolk heen die ervoor hing. Soms kan men de rotsen niet meer onderscheiden van de wolken die erop hangen.

IN CIMARRON is nagenoeg niets te krijgen: het is een plaats waar de Maatschappij eenige huisjes heeft, die erg verstrooid staan, waar een paar winkels zijn van ijzerwaren en allerleiigheden en op eenigen afstand de hutten zijn van de Mexicanen, oorspronkelijke bewoners. Die dingen zijn van een soort klei met een lage houten deur erin (een vertrek maar) en een kleine bak zonder bodems erin als schoorsteen. De biggetjes en de kippen loopen over en huizen onder den grond.

Doch al is er in Cimarron niets te krijgen; in het huis van Frank R Sherwin is dat niet te bemerken. Het is een zeer groot huis, eigenlijk drie huizen, door plaatsen (groen met fonteintjes) verbonden. Het voorhuis heeft een hal (voorportaal) waar de grilligste meubilering te zien is: houten schilderwerk, vloer en plafond mozaiek, morische en Mexicaansche versieringen, samen met een opgezetten tijger in den eenen en een Hollandsch staand horloge in den anderen hoek. Terlinkerzij heeft men den salon met de prachtigste nieuwmodische canapes en vleugelpiano en de kostlijkste oudmodische versiering van Chineesch en Persisch baksel en weefsel.

Ter rechterzij een eetzaal van gelijken grootte (langwerpig vierk) als de salon, zonder ameublement dan een lange tafel, studie met zachte leeren zitting en een buffet waarop zilveren schenkkan en beker en in drie hoeken spiegelkasten. Langs de eetzaal in de keuken en langs de salon in de Bibliotheekkamer en de rooksalon, alle even fantastisch geornamenteerd. De hal uit, gaat men naar het eerste achterhuis, waar wij onze kamers boven hebben (ik heb hier een heel aardige kamer, ordentlijk groot, met bed waschtafel en toilettafel, die me meteen voor schrijftafel dient) en de familie met gezelschapsdame (een Francaise) beneden huishoudt. Het tweede achterhuis bevat waschkamers, mangelkamers, badkamers etc.

NU DE FAMILIE: toen we hier kwamen of liever op weg hierheen vernamen we dat Mr Sherwin niet alleen een dochter had en een zoon wat we wisten maar dat hij den 4de juli voor de tweede maal getrouwd was. Die verrassing nam toe aan 't diner (dat hier keurig is! Ze eten hier niet veel, 3 maal op een dag maar 't is uitstekend. Diner 's avonds om 8 uur of 9, waarbij de dames in gala en de heeren zoowat half en half maar toch allemaal in 't donker verschijnen: de Constant in een rok! Goed dat ik m'n blauwe pak meeheb. Aan dat diner is alles van zilver behalve de borden die oud porcelein zijn en het eten dat wildbraad of ander vleesch en groenten en vruchten en rijnwijn en champagne is en de menschen natuurlijk, die menschen zijn, bediend door 2 zwarte meiden en een zwarten knecht. Nu, als die tusschenzin maar lang is!) Die verrassing dan nam nog toe aan 't eerste diner, waar mevr Sherwin verscheen als een prachtig mooi meisje van 19 jaar; terwijl gezegde verrassing zeer groot en dik werd toen we gewaarwerden dat Mr Sh. zijn vrouw uit het huis van haar stiefvader geschaakt en toen in Washington getrouwd had. 't Is hier alles buitengewoon in dit land!

Zij is net zoo rijk als hij op den koop toe, en die rijkdom is kolossaal. Als u de kledij van Mevr en Juffr zag zou u staan te kijken. Halsbanden van paarlen en spelden van diamant en iedere halven dag een ander kostuum allerplezierigst. Het is anders Mr Sherwins aard niet om een Secretaris aan zijn tafel te laten; maar zoodra we kwamen stelde Mr Ziegelaar mij met net zooveel ernst aan hem voor als de andere heeren en dat heeft hem misschien ertoe gebracht me met evenveel ernst aan tafel te noodigen en aan zijn familie voortestellen.

de houding van de Constant tegenover mij helpt ook mee: die heeft er altijd schik om zoo vertrouwelijk mogelijk met me te praten. Nu praat de Constant altijd heel zacht en iemand die hem niet kent denkt dat er heel wat gewichtigs wordt behandeld (wat ook soms wel het geval is) en dat gewichtige gaat dan ook op mij over, begrijpt u? Met de anderen praat ik echter niet veel. Met mevrouw wissel ik geen woord; met de dochter praat ik als ik trek heb en met meneer zooveel als noodzakelijk is. Aan tafel spreek ik nooit en als ik wat zeg is het tegen de Constant in 't Hollandsch. Daartegenover gedraag ik me aan tafel juist zoo vrij in alles (een kunstje dat men op reis begint te leeren) om ze niet te doen denken dat ik te bleu ben om te praten of te zeer doordrongen van mijn eigen nietigheid. Ze zien ook aan mijn gezicht wel hoop ik, dat ik in Amsterdam met de Sherwin familie niet zou willen dineeren al verdiende ik er geld mee. Meneer S. beschouwt zich in de Maxwell als Keizer en gedraagt er zich naar: tot groote ergernis van de Constant.

VERLEDEN WEEK ben ik begonnen paard te rijden. Ik ging dadelijk zoo wild aan den gang dat ik me twee dagen bijna niet kon bewegen van de pijn in al mijn leden, waarvan de onplezierigste plaatsen waren doorgereden. Nu ben ik echter beter en ga morgen weer rijden. Paarden genoeg in de stallen!Daar de Const. zoo'n liefhebber van jagen is (en van schilderen: hij heeft al een dozijn schilderijtjes gemaakt in America) zullen we anderen week waarschijnlijk een beerenjacht organizeeren met de jagers uit de buurt.

Voor rijden en jagen moeten we altijd Mr. Frank, de zoon in den arm nemen, een jongen van 18 jaar, 6 voet lang, blond, aan iedere wang een bakkebaard en onder z'n neus een snor. Midden in de nacht rijdt hij met een vierspan door de bergen zonder zijn weg te verliezen. Hij zit 10 uur te paard zonder moe te worden en slaapt op den tijd die hem 't best gelegen komt, soms op zijn paard.

In treffend contrast daarmee hebben de dames, door de schokkende gebeurtenisjes van de laatste tijd en tusschen haakjens waarschijnlijk ook omdat ze zoo gloeiend het land hebben aan ons gezantschap, de gewoonte elk minstens tweemaal per dag flauwtevallen. Dat is een feit!NU IK ZOO over allerlei menschen spreek mag ik ook Look (spreek uit: Loek) den zwarten knecht welgedenken. Hij heeft altijd met Mr. S. gereisd door Europa en de familie bewaart een schat anecdotes betreffende dat personage.

Toen Mr. S. met hem in Parijs was vroeg hij aan Look hoe Parijs hem beviel. Toen zette Look een deftig gezicht en zei; wel Sir! alle gentlemen houden het meest van Parijs!In diezelfde stad had hij de gewoonte Mr. S's bonten jas aantetrekken, een mooien hoed op te zetten en langs de boulevard te gaan wandelen; ziet het gevolg dat ze overal fluisterden: Heb je den zwarten prins al gezien? Dat duurde zoo lang totdat Mr. S. hem op een mooien morgen tegenkwam en het uitproestte van het lachen.

Als Look over de Maxwell praat en over Mr. S. dan zegt hij altijd 'onze bezitting' en 'wij'. Op reis placht hij altijd te zeggen, als de Secretaris zich vrijer gedroeg dan met zijn begrippen overeenkwam; Mr. Phillips: je maakt ons wezenlijk te schande.

Als Mr. S. er niet is gaat hij op de veranda in een luien stoel zitten, strekt zijn beenen uit, steekt een sigaar aan en kijkt over de vlakte of hij zeggen wil: Ik heb toch stellig de mooiste bezitting van de wereld!De familie noemt ie: 'mijn familie' en als ze wat laat uit rijden blijven is hij zoo ongerust of zijn kinderen zoek zijn.

IK GELOOF dat hij eerlijk genoeg is, maar voor de rest moeten we voortdurend op ons goed passen. De eerste dag was het sleuteltjen weg van Mr. Ziegelaars handkoffer, na lang zoeken (ander halven dag) bracht de kamermeid er de helft van en kreeg een Doll voor de vondst; maar met die helft kon het koffertje niet open. Een dag daarna wou meneer iets eruithebben en ik ging met Look naarboven en sloeg het slot kapot. Voor securiteit nam ik de beurs uit zijn zakdoekendoos: een zakdoek lag er over heen. Uit de beurs waren 150 gouden Doll verdwenen en er had eerst geen zakdoek overheengelegen. Het moest dus in huis gestolen zijn. Mr. Z. maakte heel wat geweld: ik zag een paar van de meiden fluisteren en een half uur daarna lagen de 150 Doll netjes uitgeteld naast het koffertjen. Mr Sherwin zei dat geen gastheer bezuiden de Missouri voor zijn dienstboden aansprakelijk is: ze stelen als raven. Ze lachen altijd en zijn altijd lui. Vanochtend stond ik voor 't vermakelijk geval dat ze me geen handdoeken hadden gebracht zoodat ik, daar ik geen meid te zien kreeg met wasschen moest wachten tot dat ik geholpen werd.

Die twee handdoeken die u me hebt meegegeven had ik in mijn koffer om 'n cognacflesch van meneer Z heen gewonden en toen ik hem opendeed was al de cognac uit de flesch in mijn handdoeken gezamenlijk met de inkt uit een kleiner fleschjen. Gelukkig hadden ze al mijn goed en boeken volkomen beschermd.

U hebt er geen idee van hoe ze op de Amerik. sporen met het goed omgaan: van mijn koffer is een ijzeren band afgebroken: een koffertje van meneer Z ligt in stukken.

Nu zie daar dat ik hoe langer hoe onduidelijker ga schrijven; maar ik heb vandaag al 10 groote bladz copij achter mijn rug (of liever achter mijn pen) en heb dezen heelen brief in een adem doorgeschreven.

Ik heb gisteren, neen eergisteren naar grootpa V.d. Vijgh en naar grootpa Verwey elk een brief verzonden. Om niemand jaloersch te maken heb ik ze tegelijk van wat nieuws voorzien ieder iets verschillends.

GAAT THUIS alles goed moe? Is uw gezondheid goed en die van Chris? Greet en Anne zullen nog wel even dik zijn, denk ik. Ik heb geen heimwee maar medunkt: soms kan ik voelen wat dat is. Als de Constant niet eens met me praat onder het schilderen, dan heb ik hier niemand, waar ik meepraten kan over dingen, die me interesseeren.

Ik ben eigenlijk het gelukkigst als ik zoals nu rustig zit te schrijven. Dan heb ik weer zooveel herinneringen.

Bloeien de bloemen nog? Chris moet van iedere een takjen droogen met een bloem eraan. Jan Verloop zal hem wel zeggen hoe hij dat doen moet. En hij moet ze namen geven: de grappigste bloem bloemen zijn ook grappig: moet hij Look noemen en de pedantste Sherwin. Verder al onze namen: Moe, Chris, Greet, Anne en Albert niet te vergeten. Als ik dan thuis kom moet ik ze hebben.

Zal je 't doen Chris: moe moet ze afsnijden, Anne reepjes knippen en Greet die reepjes eroverplakken als ze gedroogd zijn.'n Gek idee, vindt u niet? Maar daar moet u maar niet op letten, nu ik zoo ver weg ben. Chris! ik heb er op gerekend dat je dezen brief net zoo wat krijgt op je verjaardag dat's 'n verjaarcadeau. Ik wou dat ik evenbij je was, vent! om je te feliciteren het staat zoo gemaakt als ik allemaal lettertjens op papier teeken om je te zeggen dat ik blij ben. Schrijf me vooral of je gezond bent je mag niet te hard werken, hoor je? Hoeveel uur ben je nu bezig per dag? Denk erom dat je gezond moet zijn als ik weerkom.

Stuur me een lijstjen van alle menschen die jarig worden in den tijd dat ik weg ben we zullen hier nog wel meer dan een maand blijven. Ik heb nog niet naar Oom Hesta geschreven, moe! maar ik zal het nu heel gauw doen. U moet Oom en Grootmoe en Oom en tante Barend wel de groeten doen.

Aan Verloop en Poolmeyer ook: ik schrijf aan Verloop morgen.

Nu: ik zoen u en Margreet Greet is zeker nog op naaien? ben je nog aan 't groeien, Greet? nu: ik zoen u allebei en ukkepuk ook. Als ik weerom kom, is ze geen ukkepuk meer. Dag Chris, hou je goed. Dag moe allemaal het beste. Mijn papier is vol. Ik wacht uw brieven. Uw Albert

Albert Verwey-archief I 138, UB Amsterdam. Met dank aan Marijke Stapert-Eggen van het Albert Verwey-project.