Schilderkunst, een niet aflatend betoog

Van de een miljoen gulden die de Rijksdienst Beeldende Kunst jaarlijks aan uitbreiding van onze nationale collectie mag besteden een bedrag dat vorig jaar met drie ton werd verhoogd om enkele speciale wensen van de dienst te kunnen vervullen werden in 1989 zo'n 340 werken van ongeveer 120 kunstenaars gekocht: schilderijen, grafiek, beelden, sieraden, maar ook 63 fotoboeken. Sinds 1985 is het traditie dat de aanwinsten in steeds een ander museum met een expositie worden verantwoord. Deze keer is dat het Noordbrabants museum in Den Bosch. Deze keer gebeurt echter meer dan het tonen van een selectie uit het nieuw verworven bezit.

Gastconservator Piet Cleveringa, zelf al jarenlang collectioneur van eigentijdse beeldende kunst, wilde zich niet tot de aankopen van vorig jaar beperken. Om een indruk te kunnen geven van het recente verzamelbeleid van de overheid maakte hij een tentoonstelling waarin werk werd betrokken dat sinds 1984 is verworven. Om zijn lijnen duidelijk te kunnen uitzetten organiseerde Cleveringa zijn expositie rondom tien hoofdrolspelers: Ger van Elk, Fons Haagmans, Jan Roeland, Rene Daniels, Reinier Lucassen, Rob Birza, Jan van den Dobbelsteen, Willem Sanders, Han Schuil en Henk van Woerden. Zij zijn met meer werken vertegenwoordigd. Daaromheen zijn losse werkstukken van ongeveer 35 andere kunstenaars gegroepeerd die hoofdzakelijk in het laatste jaar werden aangekocht.

Het accent van Cleveringa's keuze ligt dus op het schilderkunstige. Zijn overzicht heet dan ook Picturale en bevat veel eerder een aantal van zijn persoonlijke overwegingen dan een staalkaart van aanwinsten. Alleen bij de sculpturen die aan Picturale mee mochten doen, gold de beperking tot het laatste jaar van aankoop.

Vuurgloed

Het frappantste beeld is dat van Marinus Boezem, het heet Titanic en bestaat uit drie aan draden opgehangen verwrongen glasplaten waarin evenveel grote glazen rode wijn zijn verzonken. Het lijkt alsof de onderdelen van het beeld in een hevige vuurgloed met elkaar werden versmolten waarbij als door een wonder de rode wijn behouden bleef. Het heeft inderdaad te maken met de legendarische scheepsramp, met de verhalen die overbleven. Verhalen over flessen champagne die nog ongeschonden in het zand van de zeebodem liggen, met de romantiek van heren in smoking die met elkaar toasten en ten onder gaan, met stijl en waardigheid die ook in het zicht van een gruwelijk einde gehandhaafd blijven. Een mooi beeld, die diep in de helderheid van de oceaan rondzwevende tafelbladen met glazen die gevuld blijven.

Het wiel van Henk Visch wentelt door tijd en ruimte; Alexander Schabracq stapelt plastic flessen, een bezem, de kop van een modepop, een speelgoedtrompetje en dito varkentje tot een vermaning. Deze beelden zijn echter slechts kanttekeningen bij Cleveringa's betoog over kortdurende en blijvende waarden van de nieuwe kunst, over de (on)mogelijkheid nu al te zien hoe de werking en waardering straks zal zijn.

Wel wordt duidelijk bij het bekijken van de ongeveer honderd werken die uit de overvloed van de Rijksdienst hier bijeen zijn gebracht en misschien was dat wel een der bedoelingen van de samensteller dat veel eigentijdse beeldende kunst deel uitmaakt van een niet ophoudende discussie. De schilders zijn aan het betogen over hun vak, hebben alles uitsluitende meningen over zin en noodzaak van afbeelding en verbeelding, over de grenzen van zien en weten, over de werkelijkheid achter de waarheid en dat soort zaken. Hun schilderijen zijn verklaringen, argumenten, bewijzen, die passen in ooit uitgesproken en herhaalde belijdenissen die soms dreigen te gaan rondzingen in het isolement van hun subculturen. De buitenstaander kan het dan niet meer volgen en wordt kwaad op de niet begrepen schilderijen. Zijn agressie wordt nog verhevigd als oude zekerheden in nieuw taalgebruik ten onder gaan: wat hij plagiaat noemt gaat 'tweede gebruik' heten en gooit hoge en dure ogen. Wat hij als gebrekkig gekladder heeft leren herkennen, blijkt postmodern commentaar te zijn.

Hangconstructies

Het wordt in Den Bosch allemaal mooi verbeeld in een groot doek van Rene Daniels, Het Romeinse wastafeltje/ gesprek over schilderkunst. Verhitte koppen, zonnebrillen, een pijp, een roodbroeierige atmosfeer, boosheid en onhoorbaar geschreeuw, wederzijdse verguizing. En het wordt gedemonstreerd in de slordige hangconstructies van Rob van Koningsbruggen, beschilderde vormen van board en hout. Mooi zijn ze niet, het zijn boodschappen die geduid moeten worden. Daarvoor zijn teksten en catalogi nodig, bijvoorbeeld het artikel in de catalogus over de zin van de terugkeer naar opzettelijk gebrekkig naturalisme door bijvoorbeeld Peter Klashorst, Bart Domburg en Jurriaan van Hall. Met hun routineuze landschappen en stilleventjes bedoelden ze een radikale ommezwaai te maken. Slechts hun namen moeten duidelijk maken dat het niet gaat om het werk van argeloze, willekeurige zondagschilders.

Het is alsof Cleveringa dit verhaal wenst tegen te spreken door op zijn expositie het schilderij Wachten op een model van Klashorst te combineren met een recente Kees Verwey. Beide schilderijen gaan over de sfeer in het lege atelier. Bij Verwey lossen de kleuren van een bos bloemen zich op in de lichte kunstenaarswerkplaats die er mee doordrenkt raakt, de kleuren verspreiden zich als de geuren van de bloemen. Bij Klashorst is het coloriet wat somberder, maar de lege stoelen in het atelier en de andere attributen dragen toch bij aan een sfeer van creatieve verwachting: straks gaat er iets belangrijks gebeuren in de kamer. Het is gewoon een goed schilderij, dat zich naast de Verwey in een overeenkomstige mentaliteit weet te handhaven, al is het de vraag of dat strookt met de provocatieve bedoelingen van Klashorst. Soms kruipt ook zijn bloed waar het niet gaan kan.

Cleveringa laat ook uitvoerig zien dat in het werk van veel kunstenaars, hoezeer ze ook willen betogen, schokken, veranderen, het pure schilderen toch het belangrijkste blijft zodat er naast de argumentbedoeling ruimte voor de ongecompliceerde beleving ervan over blijft. Zoals bij Fons Haagmans, een der tien hoofdrolspelers op de tentoonstelling, met zijn spookgestalten in Crazy-Twee figuren en zijn prachtige serie Corso Concordia, vijf collages met variaties op De Chirico-achtige ledepoppen. Of bij een fraai tweeluik van Karel Appel uit 1983, een winterimpressie uit de grote stad New York. Alphons Freymuth met een tegen een paarse achtergrond bewegende marionet, Maarten Dreven met het virtuose Mimicry, een vrouwenportret van Marlene Dumas: het zijn andere voorbeelden van werken die zeker ook argumenten in het betoog willen zijn maar ook zonder tekst bij ons blijven.