TUSSEN VRIJE MARKT EN PLANECONOMIE

Het economisch liberalisme mag dan als de grote winnaar van de strijd der ideologieen worden beschouwd, tussen vrije markt en plansocialisme is er nog een derde weg, die van het christelijk-sociale denken.

Het vindt zijn oorsprong in de late bewustwording van de kerken, die bijna een halve eeuw na het verschijnen van het Communistisch Manifest van Marx en Engels tot het besef kwamen dat ze hun ogen niet meer gesloten konden houden voor de sociale nood in de verpauperde stadswijken rond de industriele centra in Europa. Zowel de rooms-katholieke als de protestantse kerken en organisaties begonnen in te zien dat wat in ons land de 'sociale quaestie' werd genoemd, een structureel vraagstuk was waarvan de oorzaken lagen in een onrechtvaardig economisch systeem, het kapitalisme.

In 1891 verschijnt de encycliek 'Rerum Novarum' (Van de nieuwe dingen) van paus Leo XIII. In datzelfde jaar neemt Abraham Kuyper, de onbetwistbare voorman van de 'kleine luyden' onder de Nederlandse protestanten en oprichter van de Anti Revolutionaire Partij, het initiatief tot het eerste Christelijk Sociale Congres.

De vraag of 1891 werkelijk als een keerpunt in het traditionele christelijke denken over de maatschappij kan worden beschouwd en of protestanten en katholieken, ieder op eigen wijze, naar een derde weg tussen arbeid en kapitaal zochten, wordt aan de orde gesteld in het cahier Tussen Arbeid en Kapitaal dat de Dienst in de Industriele Samenleving vanwege de Kerken (DISK) ter gelegenheid van een eeuw protestants en katholiek sociaal denken het licht heeft doen zien. Het is het eerste boek dat beide christelijke tradities in een band beschrijft. Niet alleen om deze reden is het een lezenswaardig en interessant geschrift.

Verzoening

Twee historische inleidingen van dr. H. E. S. Woldring en dr. Th. Salemink worden afgewisseld door persoonlijke getuigenissen van mensen uit de praktijk van vandaag, onder wie oud-vakbondsbestuurder en DISK-voorzitter Herman Bode. De econoom en hoogleraar ethiek Harry de Lange schrijft over de internationale dimensie, zoals die gestalte kreeg in de oprichting van de Wereldraad van Kerken, in 1948, waar het concept 'verantwoordelijke maatschappij' werd gelanceerd. Kritische kanttekeningen bij de protestants-christelijke, respectievelijk katholieke tradities worden gemaakt door Herman Noordegraaf en Rob van Kessel.

Bedrijfspastor Albert Slaats besluit het cahier met een indringende oproep aan de christenen om een radicale keuze te maken voor de achtergestelden in onze tijd. Hij verwerpt de neo-conservatieve visie waarvan de kernideeen zijn: het gemeenschappelijk welzijn, prive-eigendom van de produktiemiddelen, een aanvullende rol van de staat, verzoening van de klassen, een visie die veel overeenkomst vertoont met die van de 'zorgzame samenleving'. In de christelijk-sociale traditie is het vooral gegaan om een geloofwaardige plaats van de arbeid naast het kapitaal. Er werd meer gedacht in termen van verzoening dan van conflict. Het protestants-christelijke harmoniedenken, dat de onderneming zag als een arbeidsgemeenschap (rooms-katholieke opvattingen weken daar niet veel van af), verwierp de klassenstrijdgedachte. Noordegraaf merkt hierover op dat het onderkennen van conflictsituaties en het analyseren van relaties in termen van macht het christelijk-sociale denken moeite heeft gekost. Net als in het verleden wordt nu ook weer de machtsvraag in alle scherpte gesteld door de verdergaande internationalisering van het kapitaal en de diep ingrijpende technologische veranderingen. De jaren tachtig, schrijft hij, hebben ook in Nederland een doorgeschoten reactie te zien gegeven op de sociaal-economische structuurveranderingen die zich in de jaren zeventig begonnen af te tekenen. 'Door een te groot vertrouwen op de markt heeft men marginaliserende tendensen onvoldoende onderkend (zoals de 'nieuwe armoede') en te weinig geinvesteerd in de toekomst', aldus Noordegraaf.

Tegenstelling

Harry de Lange ziet een tegenstelling tussen economen die zich laten leiden door 'het hebreeuwse woord gerechtigheid' met de prioriteit voor de armen en de rechtelozen en met de wil om de gemeenschap te herstellen - en economen die het 'ieder het zijne' tot uitgangspunt nemen. De eerste groep zal bij financiele en economische problemen de oplossing zoeken bij de economisch sterken, de tweede groep kiest politiek gesproken de gemakkelijkste weg: de zwakken aan de kant duwen.

De katholieke traditie heeft zich evenmin ooit volledig geidentificeerd met de vrije marktleer. Deze lijn is onder de druk van de crisis in de jaren dertig versterkt doorgezet en uitgemond in de hoofdstroom van het corporatisme en in de nieuwe sociale encycliek 'Quadragesimo Anno' (1931) van Pius XI. Theo Salemink stelt vast dat de periode 1961-1971 een ingrijpende verandering in het katholieke denken over de maatschappij te zien heeft gegeven. De traditionele metafysische fundering van de sociale leer wordt losgelaten. Daarvoor in de plaats komt een katholiek personalisme, in onderscheid van de voorafgaanse fase van solidarisme en corporatisme.

Ook in Nederland is in deze periode sprake van een breuk in het kerkelijk spreken over de maatschappij. De vastenbrief 'De mens in de arbeid' van 1980 ziet Salemink als de meest uitgesproken exponent van de radikale breuk in de katholieke sociale leer. Deze brief denkt volledig historisch, vertrekt uit de menselijke autonomie en verantwoordelijkheid, spreekt over de onmenselijke gevolgen van het tegenwoordige economische systeem en spreekt over een 'God van de armen', niet over God als een 'bondgenoot van de bazen'. Volgens Samelink is deze brief van de bisschoppen vaak ondergewaardeerd. Zeker in het licht van de verdere opmars van de vrije-markt-ideologie in de jaren tachtig bevat dit schrijven naar zijn mening een verregaande kritiek op de sociale gevolgen van het kapitalisme.

Vraagtekens

Salemink moet echter ook toegeven dat het nieuwe katholieke concept zich met veel verdraagt, zo goed met het burgerlijk humanisme en de sociaal-democratische beweging als met de neo-liberale opvattingen over de vrije markt en het Vrije Westen. Er vallen nogal wat vraagtekens te zetten bij de derde weg van het christelijk sociale denken.

Wanneer het tegenstellingen verdoezelt in formules als de 'zorgzame samenleving', bemantelt het een innerlijke verdeeldheid, zo niet gespletenheid, zoals die tot uiting komt bij kwesties als het behoud van de verzorgingsstaat en de strijd tegen de nieuwe armoede.

De vraag is gesteld, bij voorbeeld door katholieke neo-liberalen als de theoloog M. Novak, of de kerk wel een taak heeft op politiek en maatschappelijk gebied en wel bevoegd is zich uit te spreken over sociaal-economische problemen. Zou zij zich niet veel beter kunnen bepalen tot haar eigenlijke taak als 'rijk van zielen' en een morele stimulans zijn voor personen, zoals de conservatieve Britse premier Margaret Thatcher heeft betoogd? Salemink denkt daar het zijne van, zoals blijkt uit zijn pleidooi voor een burgerforum van christenen dat zich serieus zou moeten bezinnen op de grote maatschappelijke vragen van deze tijd, waarbij de brief van de Amerikaanse bisschoppen in 1986 waarin scherpe kritiek werd geuit op de sociale gevolgen van het beleid onder Reagan en op de leer van de vrije markt hem als voorbeeld voor ogen staat. Het christelijk-sociale denken was in de afgelopen eeuw vaak te horen als een tegenmelodie tegen de overheersende ideologie van het economisch liberalisme. Het klonk ook anders dan het contrapunt van marxisme en socialisme. Nog altijd zijn die kritische stemmen te horen, zij het meer van solisten, zoals die van kritische economen als B. Goudzwaard en H. M. de Lange of de socioloog H. J. van Zuthem, dan van machtige, gelijkgestemde koren.