Verdachten in Ajax-affaire hadden niet op gevangenisstrafgerekend

AMSTERDAM, 26 juni De celstraffen die gisteren zijn geeist tegen voetballer Soren Lerby en de voetbal-adviseur M. de Vos in het proces tegen (ex-)bestuurleden van Ajax, zijn voor raadslieden en verdachten hoger uitgevallen dan verwacht. Voorzien waren geldboetes en voorwaardelijke gevangenisstraffen, zo bleek uit de eerste reacties.

Officier van justitie, mr. G. J. van Oven, eiste de hoogste straffen tegen hen die zich door belastingontduiking persoonlijk hadden verrijkt. Soren Lerby zou minstens een jaar hechtenis moeten krijgen de voetbalvereniging Ajax minstens zes miljoen gulden betalen, waarbij de belastingaanslag van 9,4 miljoen gulden 4,7 miljoen gulden aan niet afgedragen loonbelasting verhoogd met 100 procent komt te vervalen.

Tegen Lerby, zo betoogde de officier, zou op grond van de richtlijnen die hiervoor bij het Openbaar Ministerie bestaan vier jaar gevangenisstraf kunnen worden geeist. 'Zover wil ik toch niet gaan, zowel in verband met de ouderdom van de feiten als in verband met de omstandigheid dat aannemelijk is dat hij zich door slechte raadgevers heeft laten leiden. Wanneer het in het het geval Lerby om onzorgvuldigheid zou gaan, om financiele onkunde zoals wel is gesuggereerd, dan valt hem dit toch zeer zwaar aan te rekenen. Ook Lerby moet in staat zijn op te tellen en af te trekken. Hij is er niet mee weg dat hij zijn papieren nooit inkeek en vertrouwd heeft op raadgevers', aldus de officier.

Lerby wordt ervan beschuldigd bij zijn overgang van Ajax naar Bayern Munchen in 1983 te hebben meegewerkt aan een constructie via een geheime rekening van Ajax in Zurich, met het doel dat er geen belasting werd geheven op het transferbedrag van rond een miljoen gulden dat hij als loon ontving.

Ten aanzien van de voorgestelde strafoplegging aan verdachten stelde de officier niet te kunnen volstaan met geld- of voorwaardelijke gevangenisstraffen, omdat dit 'geen recht doet aan het aan de maatschappij betrokken nadeel. Dat zou in de richting van potentiele fraudeurs in voetballand onvoldoende afschrikkend werken en dat zou, niet in de laatste plaats, ook onvoldoende schrikwekkend zijn voor de betrokkenen zelf'.

Over de fraudezaak zei de officier: 'Wij hebben inderdaad gezucht onder het gedrag van Ajax en het onderzoek dat daarvan het gevolg is geweest. Een onderzoek dat iets meer dan drie jaar heeft geduurd. De verdachten hebben zich, ieder voor hen, daar al over beklaagd. Ten onrechte, want zij hebben die lange duur van het onderzoek niet in de laatste plaats aan zichzelf te wijten'.

Hij herinnerde aan de eerste verklaringen van ex-voorzitter Harmsen, de voormalige penningmeester Bartels en het toenmalige bestuurslid en huidig algemeen directeur Van Eijden die alle medewerking weigerden. 'Hoe hardleers, hoe arrogant, hoe wars van elk behoren hebben Ajax en haar oud-bestuurders zich gedragen toen het opsporingsonderzoek op gang kwam. Slaat U nog eens na, president, die eerste verhoren van Harmsen en Bartels uit april 1987 en ook nog een jaar later. Herleest U nog eens hoe krachtig de betrokkenen in de richting van de Fiscale Inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) van zich af blaften.'