Economische wetten zijn niet van toepassing op landbouw in de EG

ROTTERDAM, 23 juni In Oost-Europa is het de vraag hoe een markteconomie kan worden ingevoerd, maar bij de Westeuropese landbouw denkt men in de verste verte nog niet over een perestrojka. Ook Nederlandse landbouwers, trots op hun efficiency, vinden dat voor hun sector andere spelregels gelden dan voor de rest van de economie.

Het 'meer marktgerichte beleid' dat minister Braks van landbouw nastreeft, is slechts een toegeven aan politieke druk om het landbouwbudget van de Europese Gemeenschap niet verder uit de hand te laten lopen. J. de Veer, directeur van het Landbouw-economisch instituut, kenmerkt de Nederlandse landbouwpolitiek in de EG: 'Als je denkt dat je bij de concurrentie tegen de anderen op kan, dan ben je voor liberalisatie. Anders ben je voor regulering.'

'Het is sociaal onaanvaardbaar om de landbouw over te leveren aan de harde economische wetten', formuleert J. W. E. M. Mares, voorzitter van de Katholieke Nederlandse boeren- en tuindersbond (KNBTB), een door het hele Groene Front beleden uitgangspunt. Consequenties van economische veranderingen die gepresenteerd worden aan arbeiders van sluitende fabrieken, of aan kruideniers die voor supermarkten moeten wijken, willen boeren niet op hun bord krijgen.

Zij voelen zich meer dan zomaar gewone ondernemers die risico's lopen. Binnen de (protestantse) Christelijke boeren- en tuindersbond CBTB) wordt volgens voorzitter G. J. Doornbos intensief gediscussieerd 'over christelijke grondbeginselen als het rentmeesterschap op deze aarde'. Als de boer niet van de opbrengst van zijn produkten kan leven, moet hij gewaardeerd worden als beheerder van het landschap en als zodanig een inkomen verdienen, zegt Mares zonder omhaal. Hij waarschuwt: vanuit zijn 'katholiek maatschappelijke visie' moet het landbouwbeleid van 'een sociale saus' worden voorzien, waarbij wordt gezorgd dat per boerderij een aanvaardbaar gezinsinkomen wordt gehaald.

Van de boer een betaalde landschapsbeheerder maken vindt hij geen kwestie van sociaal beleid. Een inkomensgarantie voor boeren zou niets met landbouweconomie te maken hebben, maar de boer betalen omdat hij het land niet aan zijn lot overlaat, is een andere zaak.

Een belangrijke opgave van een minister van landbouw is ervoor te zorgen dat hij geen herrie krijgt met de boeren, omdat deze van groot gewicht geacht worden bij de christendemocratische achterban op het platteland. Dat is voor boeren een comfortabel uitgangspunt waarvan de geldigheid door niemand binnen het Groene Front wordt betwijfeld. Ondernemers in andere sectoren kunnen over zo'n relatie met de regering zelfs niet dromen. Maar zij hebben meer ervaring met markteconomie.

Sinds de Europese ministers van financien begin jaren tachtig duidelijk maakten dat er een eind moest komen aan de stijging van de EG-uitgaven voor de overprodukties van boeren, heeft de Nederlandse landbouw zich tot aanpassing gedwongen gevoeld. Men is echter van mening gebleven dat markteconomie wellicht aardig is voor Oost-Europa, maar niet voor de Nederlandse landbouw. 'Meer marktgericht' is een leus van minister Braks waarmee tegenover Brussel een beleid is gevoerd waaruit geen andere principiele lijn kan worden opgemaakt dan dat bij een kleiner budget toch zoveel mogelijk Nederlandse kolen en geiten moeten worden gespaard. Die lijn blijkt voor Nederland, dat dank zij de EG in de loop der jaren de landbouwexport fors heeft zien groeien, niet consequent succes op te leveren.

CDA-Europarlementarier J. Sonneveld betoogt dat de regel dat lagere prijzen leiden tot vermindering van produktie in de landbouw niet opgaat. Althans, het kan tientallen ellendige jaren duren eer boeren de grond in de steek laten. Voor die tijd zullen grote boeren eerst kleinere opslokken en hun produktie per hectare verhogen. Dat laatste is mogelijk omdat bij voorbeeld bij graanteelt de vaste kosten per hectare bij een hogere produktie vrijwel gelijk blijven. 'Koude sanering' is een vloek bij het Groene Front, evenals de gedachte dat een boer van een werkloosheidsuitkering zou moeten leven. Wie dus snel het aantal hectaren waarop wordt geproduceerd wil verminderen, moet de boeren betalen voor het braakleggen van hun grond.

Econoom De Veer is een uitzondering in de landbouwwereld. Hij zegt: 'Er wordt te veel graan geproduceerd, we betalen hoge prijzen en we betalen ook nog eens voor het niet produceren van graan. Dat is geen beleid.'

Hij noemt het rapport dat de commissie van goede diensten in verband met protesten van Nederlandse akkerbouwers enkele maanden geleden uitbracht 'belachelijk' omdat het ervan uitgaat 'dat wij met ons handjevol graan de EG-politiek kunnen bepalen'. Economische wetmatigheden gelden volgens De Veer ook voor de agrarische sector, al duurt het soms lang eer gevolgen te merken zijn. De relatief ongunstige economische randvoorwaarden (zoals bij voorbeeld de grondsoort) hebben de graanteelt in Groningen niet voor niets weinig rendabel gemaakt.

Toen begin jaren tachtig de overproduktie van de zuivel onbetaalbaar werd, leidde dat tot de Europese quotaregeling voor de melkproduktie. Die regeling was niet gewenst door veel Nederlandse melkveehouders, zuivelindustrie en Landbouwschap. Nederland was voorstander van vrijere concurrentie. Het was zo sterk in de zuivelsector, dat het ervan overtuigd was zo'n gevecht te kunnen overleven. Toch moest Nederland met de quotaregeling instemmen. E. Woltjer, PvdA-Europarlementarier: 'Er was een gevoel van: we hebben ons laten naaien.' Nu is het de afgelopen jaren niet slecht gegaan met de veehouderij. Maar er wordt gevreesd dat de vreugde niet van lange duur zal zijn. Sommige veehouders klampen zich vast aan het feit dat de quota-regeling officieel tijdelijk is. G. Meester, adjunct-directeur internationale aangelegenheden van het ministerie van landbouw: 'Ik heb nooit geloofd dat de zuivelquota's tijdelijk zouden zijn.' KNBTB-voorzitter Mares, ook voorzitter van het Landbouwschap, zegt over de zuivelquota: 'We moesten tegen wil en dank door de bocht.'

Maar E. Pierhagen, de directeur internationale agrarische aangelegenheden van het ministerie van landbouw, houdt het er toch maar op dat het Nederland allereerst ging om een oplossing van de kostbare overschotten. Hoe, dat was een andere zaak.

Bij de discussie in 1987 over aanpak van overschotten producerende graanboeren was Frankrijk voorstander van een zo vrij mogelijke concurrentie. Frankrijk is het sterkst in de graansector en heeft bij dalende prijzen de beste overlevingskansen. Voor Nederland was de akkerbouw een 'ondergeschikte sector', zegt Mares. Daarom kon het akkoord gaan met het zogenaamde stabilisatoren-systeem, waarbij te hoge graanproduktie wordt gestraft met lagere prijzen.

Voor de Nederlandse graanboeren, minder efficient dan hun Franse collega's, moest een troost zijn dat boeren in alle Europese landen tegen vergoeding vrijwillig grond braak konden leggen. Dat moest leiden tot lagere produktie en voorkomen dat de prijzen te veel zouden dalen. Maar de sterkste Europese graanboeren, die het minst leden onder prijsdalingen, zagen geen reden voor braaklegging. Dus bleef de graanproduktie stijgen, daalden de prijzen en kwamen Nederlandse (en ook Duitse) boeren in de klem.

Toen de protesterende akkerbouwers dit voorjaar met tractoren naar Den Haag reden, zwenkte het Nederlandse standpunt. Het Groene Front werd voorstander van een regeling waarbij sterke en zwakke graanlanden zouden worden gedwongen produktie te verminderen. CBTB-voorzitter Doornbos, zelf akkerbouwer, vindt dat er geen sprake is van een zwenking. 'Als je constateert dat het beleid niet overeenkomt met je ambities vrijwillige produktievermindering dan is het logisch dat Nederland erop terugkomt.'

Andere EG-landen beschouwen het wel als een wijziging van de Nederlandse opstelling en bij het ministerie van landbouw leeft de vrees dat men slechts over verplichte braaklegging wil praten als daar wat tegenover staat.

Mares: 'Het buitenland doet niets vrijwillig. Ik zou het als ik Frankrijk was ook niet zomaar doen.'

Gevreesd wordt dat van Nederland zal worden gevraagd tegenover concessies op het gebied van graan een quotaregeling voor aardappelen te aanvaarden (wat Nederland niet wil omdat het in die sector sterk is) en dat Spanje subsidie voor omschakeling op tuinbouw eist (wat voor een andere belangrijke Nederlandse sector ongewenste concurrentie betekent). Het landbouwbeleid dat minister Braks 'meer marktgericht' noemt, is een zaak van veel regelingen om met een gelimiteerd budget sterke sectoren te behouden en zwakke niet te laten ondergaan. Toch verwacht econoom De Veer dat op termijn het belang van de met veel voorschriften beschermde sectoren in de landbouw zal afnemen.

Hij denkt dat boeren liever op consumenten afgestemde bijzondere produkten willen brengen, waarmee goede winsten kunnen worden gemaakt, dan door te gaan met de teelt van bulkprodukten. In de tuinbouw is dit al lang gebruikelijk. De winsten op massaprodukten in sectoren waarin Nederland sterk is (varkens, aardappelen, zuivel) nemen af. Dat is het gevolg van zowel de grenzen van het Europese budget voor steun aan de boeren, als van strenger wordende milieumaatregelen (onder meer in verband met mest). Voorlopig blijft de gedachte voorop staan dat boeren moeten worden beschermd tegen de consequenties van de markteconomie. Europarlementarier Woltjer: 'Niets is idioter dan het herontdekken van de markt. Bij een proces van koude sanering is niemand gebaat.'