Boedapest

Voor mensen die een hang naar het vooroorlogse hebben, is het Oostblok nu (nog) een prachtige bestemming. Het is er goedkoop en in een stad als bijvoorbeeld Boedapest is ook nog alle comfort te vinden waaraan wij sinds de crisisjaren gewend zijn geraakt.

Taxi's om maar wat te noemen. De Hollander die in een taxi stapt ziet meteen dat de meter prominent aanwezig is en er betrouwbaar uitziet. Die betrouwbaarheid wordt nog versterkt als wij de aanvangsprijs in ogenschouw nemen: twintig forint. Als u een beetje gunstig gewisseld hebt, bijvoorbeeld bij de vriendelijke ober van het etterem, het Hongaarse woord voor restaurant (het woord restaurant dient vermeden te worden als tezeer op buitenlanders gericht) of bij de taxichauffeur zelf, dan komt u op zo'n 45 cent aanvangsprijs, waarbij de meeste ritten in de stad oplopen tot laten we zeggen zeventig tot tachtig forint, met de fooi mee dus twee gulden. Nog even: wissel niet op straat, bij iemand die u in het voorbijgaan Wechsel? change? toebijt. Het zijn oplichters, niet uit op wisselen maar op wisseltrucs. Hier komt het woord vandaan.

Toch is er nog een betere manier om de stad te zien - en nog goedkoper. Lopen of met het openbaar vervoer. De lof van lopen hoef ik hier niet te bezingen, maar wandel vooral ook eens die ouderwetse huizenblokken binnen, die met een portierswoning en een binnenplaats, afgekeken van de Fransen en even later gebouwd, begin deze eeuw, maar zeer negentiende eeuws in stijl. Zij zijn vrijwel allemaal vervallen, vuil en verveloos, maar er hangt een serene rust, een zekere opgewektheid en zij zijn, die zonder zowel als die met een glazen koepel, prachtig belicht. Mocht er verbouwd worden dan ziet u reusachtige houten steigers, op zichzelf al kunstwerken uit een andere tijd. En kranen van voor de oorlog.

Net als New York kende Boedapest na de eeuwwisseling een enorme bouwdrang, waarbij elke stijl omhelsd werd, vaak verenigd in een gebouw, een gruwel voor puristen. De Weners spraken er al schande van, maar de exuberantie van die tijd tekent - nog steeds - Boedapest, dat nu ook de eerste Oosteuropese stad is met een overvloed aan Amerikaanse hotels, zoals het Hyatt met de enorme glazen liften die op de binnenplaats omhoog schieten.

De stad heeft buiten de beste taxi-service (beter dan Londen) ook het beste openbaar vervoer van alle steden die ik bezocht. Zij hebben zeer veel trams, allerhande bussen, zelfs trolleybussen in eenrichtingverkeerstraatjes, een kleine metro en een grote metro. De kleine metro is de oudste van alle metro's en rijdt door zeer kleine tunnels, de grote metro is meer een trein onder de grond die hier nogal hard moet zijn, want graven kost schijnbaar weinig. Bij vrijwel alle kruispunten van enige omvang zijn uitgebreide voetgangerstunnels, haast altijd uitmondend in een plein onder het plein, met winkeltjes, kiosken enzovoort.

Waarom, zo vraag ik mij af, is er geen enkele reisgids, geen VVV, geen Tourist information, die stadsreizen propageert per openbaar vervoer? Het kost weinig en iedereen is er mee gediend, ook het milieu, en je ziet de stad op de beste manier. Nergens vind je in Boedapest adequate aanwijzingen over de bereikbaarheid per bus, tram of trein, terwijl zij toch zo'n prachtig sluitend systeem hebben. Ook in grote Nederlandse steden ontbreken Engelse en Duitse aanwijzingen over stadsritten per bus of tram.

Eigenaardig. Boedapest is overzichtelijk gebouwd, de straatnamen zijn duidelijk aangegeven en de stad fleurt natuurlijk op door die prachtige Donau die er zeer breed doorheen stroomt. Stroomt is overigens het goede woord, want het gaat hard. De bruggen zijn zeer mooi en het uitzicht van Boeda naar beneden op Pest is net zo prachtig als vanuit Pest naar boven kijkend, naar het paleis bijvoorbeeld. Boottochten zijn aardig met mooi weer maar je ziet niet echt veel meer. Net als op de Mississippi wordt het al gauw saai en grauw aan de oevers. Of om het met Amsterdam te vergelijken: voor een gezicht op het Centraal station hoef je niet op 't IJ heen en weer te varen.

Een ander voordeel van het openbaar vervoer is, dat je vroeg of laat ineens op een kleine markt stuit, eveneens onaangekondigd in de gidsen, waar zigeuners en boeren hun waren te koop aanbieden. Ik zag hele mooie geborduurde kindervestjes, sommige met bont gevoerd, aangeboden door zeer authentieke vrouwen in strakke klederdracht, doeken om het hoofd. Kruiden zoals saffraan zijn hier ook goed te krijgen, prachtige kersen voor een gulden de kilo, grote radijzen en twee kleuren wortelen.

Het eten is adequaat en niet onsmakelijk. Een beetje more of the same zou ik zeggen, met de bijkomstigheid dat de meeste Boedapester restaurants er nogal saai en ongezellig uitzien. Zodra het mooi is van binnen, zijn de prijzen navenant, hoewel het naar Westerse begrippen nooit of te nimmer duur wordt.

En hoe staat het met de zigeunermuziek, zult u vragen. Slecht. Het vervelende is dat zigeunermuziek niet echt de Hongaarse volksmuziek is. Het zogenaamde Hongaarse lied (magyar nota) heeft een zoete, nogal geforceerde toon. De echte zigeunerkapellen - acht man: Primas, zweiter Geiger, Bassist, Zimbalspieler, Klarinettist, Cellist, Vize-Primas, Vize zweiter Geige zijn vrijwel allemaal verdwenen.

McDonald's heeft slechts op twee plaatsen toegeslagen, waarvan eenmaal in de prachtige zijvleugel van het Jugendstil-station. Het fenomeen hotdog is wel algemeen verbreid. Op veel marktjes zijn zij te krijgen, met Weense worst erin en vers brood, voor een gulden. Overal drinkt men lekkere koffie, tussen Tobruk en Espresso in: 22 cent.

Maar daar komt de vliegreis natuurlijk nog bij.