BIJBEL

Terwijl in West-Europa de kerken leeglopen groeit en bloeit het christendom onder andere in Afrika. Derde-generatie afvalligen als ik, opgegroeid met het idee dat spoedig ook de rest van de mensheid de dwaasheid van godsdienst zou inzien, kunnen daar niet vaak genoeg aan herinnerd worden. Ds. Ype Schaaf heeft zo'n vermaning niet nodig. Hij is bekend als dagsluiter bij de NCRV en hoofdredacteur bij het behoudend-christelijk Friesch Dagblad. Voor de Wereldbond van Bijbelgenootschappen heeft Schaaf door Afrika gereisd, Hij ging zijn weg met blijdschap is de neerslag van die reizen. Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat de geschiedenis van twintig eeuwen vertaling en verspreiding van de bijbel in Afrika, het tweede behandelt de rol die de bijbel daar gespeeld heeft. Vooral het eerste deel is een tot wanhoop stemmende opsomming geworden. Jaartallen, landen, namen en kerkgenootschappen dwarrelen door elkaar heen. Als deze feiten geintegreerd waren met de interessante rol die de bijbel bijvoorbeeld in het onderwijs heeft gespeeld en nog speelt, was het een veel leesbaarder boek geworden.

De ongelooflijke inspanningen die tallozen zich getroostten om in de negentiende eeuw de bijbel in Afrika te verspreiden hebben te maken met de religieuze opwekkingsbewe-gingen die in die tijd in Europa en in de VS hoogtij vierden. De religieuze beleving van de gewone man stond hierbij centraal. Hierdoor ontstond een grote vraag naar bijbels. Om daar aan te voldoen werd in 1804 in Londen het eerste bijbelgenootschap opgericht, door leden van verschillende (hervormde) kerkgenootschappen. Om voor al hun kerkgenoten bijbels te maken moest het tot dan toe gebruikelijke commentaar waarin de bijbel voor eigen gemeente werd verklaard, vervallen. Dat had als bijkomend voordeel dat de oplagen groter werden en de prijs omlaag kon. Volgens de idealisten van de bijbelgenootschappen moest eigenlijk ieder mens op aarde beschikking hebben over een bijbel in zijn eigen taal.

Vanuit dezelfde religieuze passie stichtte men zendinggenootschappen en comites die zich beijverden voor de afschaffing van slavernij. Het werd gebruikelijk dat een zendeling zo snel mogelijk de plaatselijke taal leerde en dan met de hulp van een autochtone bekeerling het evangelie ging vertalen. De bijbelgenootschappen zorgden voor uitgave of voor papier en drukpersen. Zodra er bijbels waren begon de zendeling te onderwijzen, opdat de nieuwe christenen de boodschap zelf zouden kunnen lezen. De bedoeling was kerken te stichten die zo snel mogelijk door de plaatselijke bevolking gedragen zouden worden. De zendeling wist immers niet hoelang hij het uit zou houden in het voor blanken moordende klimaat.

Vanwege de hoge sterfte was de belangrijkste voorwaarde voor uitzending naar Afrika een ijzersterke constitutie. Opleiding werd niet belangrijk gevonden. Niemand wist hoeveel talen er gesproken werden (het bleken er ongeveer 1800 te zijn), of hoeveel mensen die talen spraken. Omdat de meeste talen geen schrift kenden moest dat eerst bedacht worden. Ondanks al deze problemen bezaten de vertalingen volgens Schaaf toch vaak een hoge kwaliteit.

Na 1885, toen het Afrikaanse continent opgedeeld en gekoloniseerd werd, kwamen voor blanken betere voorzieningen en liep hun sterfte terug. Toen raakte het doel van een zelfstandige kerk steeds verder op de achtergrond. Na de Tweede Wereldoorlog zijn de kerken in Afrika in snel tempo zelfstandig geworden. Daarnaast bestaat er een groeiend aantal onafhankelijke kerkgenootschappen, die alle banden met het westen hebben verbroken en vaak ruimte bieden aan Afrikaanse tradities als polygamie en voorouderverering.

Naast goede dingen, vindt Schaaf, ' leverden kerk en zending [echter] ook een bijdrage in de verbreiding van het vervreemdende zichzelf superieur achtende westerse onderwijs, wat in haar zogenaamd objectief wetenschappelijke pretenties uitloopt op secularisatie.' En dat is een ontwikkeling die de dominee in Ype Schaaf ten zeerste betreurt.