Vijf debutanten op Poetry International

Op de slotavond van Poetry International wordt morgen voor de tweede maal de C. Buddingh'-prijs toegekend, bestemd voor een dichter die in deafgelopen twee jaar debuteerde. Vijf genomineerde dichters lezen voor uit eigen werk waarna de bekendmaking volgt door de jury, bestaande uit Elma van Haren, de winnares van twee jaar geleden, Jan G. Elburg en Jan Eijkelboom. Wie zijn deze vijf debutanten? Gesprekken met Maria van Daalen, Nachoem M. Wijnberg, Esther Jansma, Tonnus Oosterhoff en K. Michel. 'Poezie is de goedkoopste manier van reizen.' Maria van Daalen 'Ik kan beslist niet in mijn gedichten wonen. Integendeel, ik schudze af als een slangehuid, ' zegt Maria van Daalen (40) beslist. Vorig jaar debuteerde zij met de dichtbundel Raveslag. 'Raveslag iseen nieuw woord, waarvan de meerduidigheid mij beviel toen het in me opkwam. Ik maak ervan dat het een kooi is om een raaf te vangen, analoogmet duiveslag. Bij mij ontsnapt de raaf echter.'

Titels maakt ze meestal achteraf. Soms is het moeilijk iets boven een gedicht te zetten dat bij de inhoud past, vindt de dichteres. 'Ik zoek in de taal naar emotie en beweging, soms in niet-bestaande woorden. Het woord 'doorzichtbaar' dat ik ergens gebruik, heb ik het mijn dochter gekocht voor een tientje. Ze had het zelf verzonnen, zei ze, en ik vond het wel mooi.' Van Daalen studeerde middelnederlands, handschriftenkunde en muziekwetenschappen in Amsterdam, Utrecht en Nijmegen. Ze is sinds kort bezig met promotieonderzoek aan een tekst over hoofse liefde en het maken van poezie van omstreeks 1375 aan de universiteit van Groningen. 'Ik was me al heel jong bewust van taal. Ik hield me tijdens mijn studie en daarna vooral bezig met middelnederlands. Ik schreef toen ook al gedichten maar toen ik mij begin jaren tachtig ging verdiepen in de twintigste-eeuwse, Europese poezie veranderden mijn eigen gedichten en werden ze publikabel. Mijn gedichten verschenen toen in Raster, De Gids en de Poeziekraint. Door te schrijven geef ik aan dat ik besta ik manifesteer me. De taal is mijn minnaar die mij tegelijkertijd liefheeft en verstikt.'

Haar betrokkenheid bij taal gaat zo ver dat als zij een avond naar mooie poezie luistert, ze na afloop hele passages uit haar hoofd kent. De schoonheid van die poezie ervaart ze als een uitsluitend met de woorden verbonden gevoel. 'Met wat ik schrijf probeer ik een werkelijkheid bij de lezer op te roepen die hij niet alleen voor zich ziet maar ook werkelijk ervaart zoals ik hem ervaar als ik schrijf. Dat kan natuurlijk niet echt maar het is wel mijn streven om de poezie en de werkelijkheid weer in elkaar te schuiven. Ik zou willen dat mijn poezie een fysiek effect had. 'Als ik schrijf denk ik niet aan de begrijpbaarheid. Maar behalve de maker ben ik ook de eerste lezer. Ik wil, met andere woorden, wel verstaanbaar blijven. De taal is ontoereikend maar tegelijkertijd mijn enige mogelijkheid om vorm te geven aan weerstand, waar het leven nu eenmaal uit bestaat. Ik moet de taal wat oprekken, hoewel ik daardooraan de grens van de verstaanbaarheid kom.'

Nachoem M. Wijnberg

Nachoem M. Wijnberg (29) is net gepromoveerd en is naar eigen zeggen ambtenaar op wachtgeld. Na zijn studies rechten en economie kwam hijvoor een promotieonderzoek bij bedrijfskunde terecht. Zijn dissertatie behandelt innovatiebeleid en mededingingsbeleid. 'Ik doe graag onderzoek, als econoom, jurist of bedrijfskundige en in wezen is dat niet verschillend van mijn onderzoek als dichter. Dat betekent nadenken, theorietjes bouwen en weer afbreken. Poezie is een mooie manier om na te denken. En als je een probleem iets dichter bij een oplossing hebt gebracht, dan heb je soms een gedicht.' Wijnberg begon pas tegen het einde van zijn studie poezie te schrijven. Publikatie in een paar tijdschriften en in de bloemlezing Ieder hangt aan zijn gevallen toren van Rogi Wieg leiddetot contact met Uitgeversmaatschappij Holland, die net had besloten om de serie De Windroos nieuw leven in te blazen. 'Ik heb ervoor geijverd zo veel mogelijk tekst in de bundel te krijgen, ' zegt Wijnberg. Dat is te zien want het eerste gedicht begint direct na de titelgegevens. 'De inhoudsopgave is in een ietskleinere letter omdat ik niet meer dan een pagina eraan wilde besteden.'

Een volgende bundel is al klaar: De voorstelling in de nachtclub zal in september verschijnen.

De gedichten van Wijnberg zijn vrije verzen. Thema's put hij uit de klassieke historie, maar ook uit bij voorbeeld de astronomie. Wijnberg wil dat in zijn gedichten de eerste betekenis voor de lezerin ieder geval geen puzzel is. 'Als ik er niet naar streef begrepen te worden, maakt dat mijn werk nutteloos tenzij ik me zou verbeelden dat ik alles alleen kan oplossen.'

Vragen over de interpretatie van zijn gedichten beantwoordt hij liever niet omdat uitspraken daaroverte veel nadruk op een bepaalde uitleg zouden leggen. 'Poezie is mijn instrument waarmee ik probeer de wereld om mij heen iets beter te begrijpen. Een bevredigend patroon over een stukje van de wereld kanleggen, kan het toppunt van schoonheid zijn. Het moet, kortom, kloppen.' Wijnberg leest zelf graag klassieken en daarvan vooral de grote Engelstalige en Duitse dichters. Nederlandse poezie leest hij naar eigen zeggen nog weinig. 'Het is geen desinteresse maar ik bener nooit vertrouwd mee geraakt.'

Esther Jansma

Sinds de vorige toekenning van de C. Buddingh'-prijs publiceerde Esther Jansma (31) twee bundels. In 1988 verscheen Stem onder mijn bed, dit jaar kwam Bloem, steen uit.

Jansma debuteerde in 1984 in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde. Sindsdien verscheen haar werk daarnaast in Maatstaf, Bzzlletin en diverse kleinere tijdschriften. Het manuscript van Stem onder mijn bed stuurde ze in zijn geheel naar uitgeverij De Arbeiderspers. De bundel bestaat uit vier delen die een cyclus vormen en een autobiografische inslag hebben. De tweede bundel, Bloem, steen, heeft 'onzichtbaar ouderschap' tot thema. In drie delen schrijft Jansma over de confrontatie met een doodgeboren kind. In het eerste deel beschrijft zij de kennismaking, in het tweede overheerst woede.

In het laatste deel wordt het kind tot een afwezigheid, een stilte. 'Poezie is de meest efficiente en goedkoopste manier van reizen, ' vindt Jansma. 'Schrijvend leg je snelwegen aan, waar je ook heen wilt of dat nu Luilekkerland is of de kronkels in de hersens van je opa. Schrijven is natuurlijk ook een methode van registratie. Bij Bloem, steen zocht en schiep ik een bewijs van iets dat feitelijkonzichtbaar was. Bij mijn eerste bundel lagen schrijven en publiceren veel meer in elkaars verlengde dan bij Bloem, steen. In die tweede bundel bewoog ik mij op de grens hoe persoonlijk mag een dichter worden? Kan zij bij een dergelijk onderwerp nog afstand nemen van haar eigen werk? Ook omdat ik zelf zocht naar literatuur, poezie, die uitdrukking gaf aan wat ik voelde, maar die ik niet kon vinden, besloot ik om er zelf een boek van te maken.'

'Belangrijk bij het schrijven van poezie is het ritme, ' zegt Jansma. 'Daarmee bedoel ik meer dan een metrum: ook de klanken die je gebruikt, de herhaling daarvan, de versnellingen en de vertragingen.

Al die dingen dragen bij aan de grondtoon, de emotionele en muzikaleessentie, van een gedicht. Schrijven speelt zich af op de grens van wat je wel en niet weet. Je hebt iets in je hoofd, er staat iets op papier. Wat volgt is een wisselwerking tussen die twee en wanneer ze samenvallen, is het gedicht af.' Jansma houdt niet van vaste rijmschema's; ze geven haar al lezend het gevoel dat ze weet wat er gaat komen. Ze kan wel bewondering hebben voor gebruik van klassieke vormen maar zelf verstopt ze rijm liever 'aan de binnenkant'.

Behalve dichter is Esther Jansma archeologe. Een paar weken geleden is ze teruggekeerd uit Amerika, waar ze een jaar woonde in verband met haar promotieonderzoek. De laatste tijd heeft ze vooral poezie gelezen van Mark Strand, Carlos Drummond de Andrade, Rainer Maria Rilke en Yehudi Amichai.

Het verblijf in Amerika leerde haar Nederland te relativeren. 'Ze wetendaarginds vaak niet eens waar Nederland ligt, laat staan dat ze beseffendat we hier een eigen taal en literatuur hebben.'

Opvallend vindt ze het verschil tussen de poezie-opvattingen in Amerika en Nederland. 'Hier heb je een indeling in hermetisch en anekdotisch. Alle gedichten met een externe gebeurtenis als aanleiding of onderwerp worden daarbij tot de anekdotische poezie gerekend, tot de 'kleine' poezie dus. In Amerika rekenen ze in 'lyrical' en 'narrative', een onderscheid dat niet het onderwerp van een gedicht betreft, maarde verteltrant. Die Nederlandse angst voor onderwerpen heeft iets benepens. Als je je met de Nederlandse poezie-opvattingen identificeert, belemmer je jezelf als dichter.' Tonnus Oosterhoff 'Ik vind het een beetje onzin om af te spreken. Dat is helemaal niet nodig.'

Tonnus Oosterhoff (37) reageert afhoudend op publiciteit. 'Al die aandacht is overdreven na een bundeltje. Dat is nog maar weinig.' En na een tweede bundel? 'Dat weet ik nog niet. Ik weet niet hoe ik dan reageer, dat zie ik wel.

Wie dan leeft, dan zorgt.' Tonnus Oosterhoff, die wel bereid is telefonisch informatie te verstrekken, publiceerde onlangs de bundel Boerentijger bij uitgeverij De Bezige Bij. Oosterhoff vindt het wel aardig dat hij voor de C. Buddingh' prijs is genomineerd maar publiceren is voor hem niet meer dan gedichten in de openbaarheid brengen. Hij krijgt graag reacties van lezers maar daar moet het bij blijven. Recensies leest hij met belangstelling. Slechte recensies heeft hij nog niet gehad maar als dat zou gebeuren en de recensent zou rake opmerkingen hebben, zou dat waarschijnlijk hard aankomen.

Oosterhoff studeerde Nederlands en psychologie in Groningen en Amsterdam. Hij is freelance tekstschrijver, wat inhoudt dat hij artikelen voor bedrijfsbladen schrijft. De combinatie dichter/ tekstschrijver vindt hij heel aangenaam.

Oosterhoff is nu verhalen aan het schrijven. Tot nu toe publiceerde er een in het tijdschrift De Revisor. Er zijn meer overeenkomsten dan verschillen tussen verhalen en gedichten, vindt Oosterhoff. Oosterhoffs verhalen, grotendeels nog niet gepubliceerd, zijn naar eigen zeggen heel kort.

Oosterhoff verheugt zich op de slotavond van Poetry: 'Ik vind het wel prettig om mijn gedichten voor te lezen. Dat heb ik nooit gedaan en daar kijk ik echt naar uit.' K. Michel 'Ik moet altijd verder maar ik ben geen jakkeraar. Ik heb ook geen haast om werk af te maken. Een bundel moet een geheel vormen.'

Aan het woord is de dichter K. Michel (31), die de bundel Ja! Naakt als de stenen publiceerde bij Meulenhoff en Tingeling, een proza-uitgave in beperkte oplage, bij Perdu. 'In principe ben ik een dichter maar ik schrijf ook proza. Wat ik tot nu toe heb gepubliceerd, zijn korte prozastukken over een hoofdpersoon die meneer Tingeling heet. Ik ben daar nu mee verder gegaan maar ik heb er nog niets van gepubliceerd.' K. Michel studeerde filosofie in Groningen en Amsterdam. Na zijn studie gaf hij samen met Arjen Duinker de literaire circulaire AapNootMies uit, en schreef hij samen Jaap Boots, Melle Hammer en Chris Keulemans het feuilleton Domino. Met Chris Keulemans werkte hij ook al samen bij de Stichting Perdu, waar hij mede de lezingen organiseerde. Bijna per ongeluk belandde een gedicht van hem in de bloemlezing Maximaal. 'Mijn betrokkenheid bij de maximalen is nihil, ' verklaart hij.

K. Michel werkte in Londen als ober en van het fooiengeld dat hij overhield kocht hij boeken. 'Zo heb ik veel dichters leren kennen, ' zegt hij nu. Hij ging ook Spaanse poezie vertalen om Spaans te leren. Er zijn volgens K. Michel veel goede Nederlandse dichters maar zelf laat hij zich het liefst inspireren door buitenlanders, zoals William Carlos Williams, Elizabeth Bishop, Lorca, Hans Magnus Enzensberger en Lars Gustafsson. En de lijst is nog veel langer, aldus K. Michel. Van enkele van deze favorieten vertaalt hij voor zijn pleziergedichten.

De poezie van K. Michel drukt een streven naar beweging uit maar ook eenverlangen naar rust. Voor de dichter kunnen die gemakkelijk naast elkaar bestaan: 'Beweging en rust overkomen je. Overigens is het belangrijkste hierbij wat je ermee in de poezie doet.'

'Ik doe veel, dat is altijd zo geweest. Ik kan dingen laten liggen en weer oppakken. Al mijn activiteiten weven samen een soort tapijt. Ik heb geen enkele angst voor versnippering, nee, de verschillende bezigheden kunnen elkaar juist versterken.' Na een rustig gesprek van een uur kijkt K. Michel op de klok en stelt vast dat hij er weer vandoor moet. Ik wacht in het cafe nog even op de rekening maar K. Michel zegt: 'Ik heb een hekel aan wachten. Ik wacht nooit.' En weg is hij.