Londen wil stapsgewijs naar politieke unie EG

De minister van buitenlandse zaken van het in Europa vaak dwars liggende Groot-Brittannie geeft aan de vooravond van de top van Dublin het Britse standpunt weer over de Europese politieke eenwording.

De Europese Raad van regeringsleiders komt volgende week in Dublin bijeen. Het is de derde keer in zes maanden. Een Europese markt en de Europese Monetaire Unie stonden in december op het programma, in april werd gesproken over de Duitse vereniging. En nu: de Europese Politieke Unie. Een overladen agenda. Maar wat betekent deze laatsteuitdaging? Is politieke eenheid een frase of kunnen we die eenheid inderdaad verwezenlijken? Ik neem vier beginselen waar, die ons werk voor een politieke unie dragen, in Dublin en daarna. Ten eerste: wij moeten de democratischeverantwoordelijkheid versterken en Europa voor de burgers aan belang doen winnen. Ten tweede: wij zouden willen dat de instellingen zodoelmatig mogelijk functioneren. En wij willen dat zij alleen functioneren waar dat nodig is: het veel geroemde subsidiariteitsbeginsel. Tenslotte: we moeten de stem van de Gemeenschap in de wereld versterken en Europa open, ruim van opvatting houden.

We moeten ervoor waken van Europa een knekelhuis te maken. Europa isin beweging en de Gemeenschap moet dynamisch blijven. De discussie gaat over stapsgewijze verbeteringen, bouwend op ons succes, niet over een reuzensprong en helemaal niet over nieuwe holle woorden.

Onze eerste taak bestaat uit het versterken van de democratische verantwoordelijkheid. De Gemeenschap heeft twee democratische pijlers. Zoals Jacques Delors het verwoordde: 'De twee afspiegelingen van de volkswil, het Europees Parlement en de nationale parlementen, zijn partners.' Een vitale bron van democratische controle ligt in het rekenschap afleggen van de ministers tegenover de nationale parlementen voor hun activiteiten in EG-verband. Dit wordt in de Gemeenschap in toenemende mate erkend. De zienswijze dat nationale parlementaire controle moet worden versterkt, is een van de interessantste ontwikkelingen in het Europese denken van het afgelopen jaar.

De tweede democratische pijler is het Europees Parlement. In de Europese Akte hebben we de rol van 'Straatsburg' in het wetgevingsproces aanzienlijk versterkt. Dit heeft goed gewerkt. We kunnen het opnieuwbezien, maar ik zie geen noodzaak voor een radicale verandering.

Wel meen ik dat er een democratische taak op Europees niveau niet adequaat wordt vervuld: de parlementaire controle op de uitvoerende macht. Nationale parlementen kunnen niet en moeten niet waakhond zijn over de dagelijkse arbeid en over de uitgaven van de Europese Commissie. Maar iemand moet dat toch doen. Want onze burgers verwachten met recht een passende parlementaire controle op de Gemeenschapsuitgaven, ze willen waar voor hun geld en ze verlangen een controle op het Gemeenschapsbeleid. Parlementaire controle op het uitvoerende orgaan is een fundamentele democratische taak. Het zou goed zijn als 'Straatsburg' daartoe het nodige handvat kreeg.

Mijn tweede beginsel voor Dublin is: laat de Gemeenschap effectieverfunctioneren. Een voorbeeld. Er is redelijke vooruitgang geboekt in de overeenstemming over een gemeenschappelijke markt; we zijn al meererstedan halverwege gevorderd in het programma. Maar die wetgevingis voor onze kiezers van geen enkele waarde als zij niet tot stand wordt gebracht en vervolgens wordt afgedwongen. De procedures daartoe blijven ver achter bij onze wetgevingsijver. Dat kan zo niet doorgaan. Het is bovenal het programma voor '1992' dat tot de verbeelding spreekt van onze vrienden, van onze concurrenten in de rest van Europa en in Noord-Amerika. We moeten die verworvenheid niet uit onze handen laten glippen.

Ik zou het daarom toejuichen als zou worden overwogen de positie te versterken van de EG-instellingen die kunnen afdwingen dat genomen besluiten inderdaad worden uitgevoerd. Kunnen de procedures voor het Europese Hof van Justitie niet worden versneld? Zou het Europese Hof niet de bevoegdheid moeten hebben, zoals dat bij nationale rechtsinstanties het geval is, de persistente overtreders straf op te leggen, zelfs als zij lidstaat zijn? Is er geen grotere rol mogelijk voor de Europese Rekenkamer bij het onderzoek naar frauduleuze handelingen? Hoe kan de Commissie lidstaten ertoe dwingen in hun nationale wetgeving verplichtingen, die door 'Europa' zijn aangegaan, te effectueren? Op deze gebieden moeten wij positieve voorstellen doen.

Het subsidiariteitsbeginsel loopt als een rode draad door dit betoog heen. We moeten pas op Gemeenschapsniveau handelend optreden waar dat doelmatiger is dan nationale activiteit. De vraag is hoe dat te bereiken.

Ten slotte moeten wij onze externe rol in ogenschouw nemen. Onzebeleidsdiscussies zullen dit jaar worden gedomineerd door onderhandelingen met de EVA-landen over de vorming van een 'Europese economische ruimte', door Oost-Europa, door de Uruguay-ronde over wereldhandel in het kader van GATT. Maar bij onze concentratie op de procedures moeten we niet vergeten waar het om gaat: om de effectiviteit van de Europese Politieke Samenwerking. Op steeds meer terreinen vestigen wij in feite een Europese buitenlandse politiek.

Ontwikkelingen in Oost-Europa, het hermodelleren van de bredere Europesearchitectuur, verschaffen ons een bijzondere gelegenheid. We zouden wegen moeten vinden om de doelmatigheid van onze machinerie te vergroten. Misschien door het secretariaat in Brussel te versterken, door een betere coordinatie met het werk van de raad van ministers van buitenlandse zaken, door een nauwere integratie van het werk van de ambassades van lidstaten in derde landen.

We moeten de kansen grijpen waar de twaalf landen gemeenschappelijk pal kunnen staan. De Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa biedt ons daartoe een prachtige gelegenheid.