Van den Broeks nuttige demper

Er was een tijd, vijftig jaar geleden, waarin het Britse Empire geheel alleen stond tegenover de bondgenootschappen die Hitler-Duitsland had gesloten met Italie, de Sovjet-Unie en Japan. Brittannies bondgenoot Frankrijk had zich met inbegrip van zijn koloniale rijk in Noord-, Oost- en West-Afrika, in Zuidoost-Azie, in Oceanie en in het Caraibische gebied aan de nazi's onderworpen. De Franse strijdkrachten waren van krijgsmakkers vijanden geworden. De rest van Europa was veroverd, tot de As toegetreden of 'Nazi-freundlich' neutraal, op het zwakke Portugal na. De Amerikaanse president moest van zijn Congres afstand bewaren tot de Europese oorlog. Een handvol vluchtelingen uit bezet gebied trachtte in het onder vuur liggende Londen het gevoelen te schragen dat er toch nog zoiets was als een geallieerde krachtsinspanning.

De Duitse overval op de Sovjet-Unie en de Japanse op Pearl Harbor veranderden het tableau ingrijpend. Er ontstond een Atlantische alliantie, vervolgens werden ook het China van Tsjiang Kai-sjek en de Sovjet-Unie gerekend tot de geallieerden (bekrachtigd op de top te Teheran, 1943). In de marges van dit nieuwe bondgenootschap floreerden strijdbare groepjes Fransen, Polen en Nederlanders, de laatsten ook in het Verre Oosten. Hun in Londen verblijvende politieke vertegenwoordigingen ontleenden er met wisselend succes enig gezag aan. De maatstaf waaraan Frankrijk werd gemeten, werd in het vijfde oorlogsjaar overigens nog grotendeels bepaald door Vichy en nauwelijks door De Gaulles Vrije Fransen.

De geallieerde saamhorigheid was gericht op de capitulatie van de nazi's. Japan was tot 1945 een zaak apart pas in dat jaar verklaarde Moskou Tokio de oorlog. Maar voorbij de Duitse nederlaag had ieder zijn eigen bedoelingen. Stalin wilde van zijn bondgenoten aanvaarding-achteraf van de in 1939 en 1940 met Duitse hulp verwezenlijkte Sovjet-expansie waarin hij de facto slaagde. Churchill had geen verweer, Roosevelt was laconiek. Churchill wenste zoveel als mogelijk een herstel van de status quo ante in de wereld, van het Britse imperium dus. Dat deed hem steun verlenen aan de verregaande ambities van De Gaulle ten behoeve van terugkeer van het Franse wereldrijk aan de tafel der grote mogendheden. Roosevelt was overtuigd van de broosheid van de koloniale constructies. De Amerikaanse president zag in een Verenigde Naties onder leiding van de geallieerden de oplossing voor alle vraagstukken die de vrede bedreigen. Stalin eiste en kreeg een prijs voor meegaandheid op dit punt.

Churchill moest nog in het jaar van de overwinning persoonlijk het veld ruimen. Tsjiangs positie hield stand tot 1949, toen de nationalisten van het vasteland van China werden verdreven. De Britse positie kalfde af, een wikkeling die in 1956 voor iedereen zichtbaar werd met het Brits-Franse debacle in Suez. De Franse moest in 1958 voor de tweede keer door De Gaulle worden gered. De nationale pijn van het verlies van de kolonien en van het Algerijnse departement werd met nucleaire middelen bestreden. De force de frappe werd het nieuwe symbool van de gallische mannelijkheid. Stalins erfenis bleef intact tot het jaar van de vreedzame Europese omwenteling, 1989. Roosevelts schepping duurt tot de dag van vandaag.

Sinds hun ontstaan kennen de Verenigde Naties een Algemene Vergadering en een Veiligheidsraad. De raad kent naast het roulerende lidmaatschap vijf permanente leden die ieder met hun veto elke handeling van de raad kunnen blokkeren. Voor drie van de vijf heeft dit vetorecht een logisch fundament. De Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en, in mindere mate, China onderscheiden zich van de rest door hun 'nuisance value', door hun vermogen afspraken van anderen te kunnen dwarsbomen. Beter een veto voor- dan sabotage achteraf, luidt de grondregel van de VN. Maar bij het lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk en van Frankrijk komt de gedachte op aan vergane glorie. Onmiddellijk na het einde van de Tweede Wereldoorlog berustte de Britse positie al nauwelijks meer op feitelijke macht de Franse was in 1940 ten onder gegaan.

De Nederlandse minister van buitenlandse zaken, Van den Broek, heeft in een rede aandacht gevraagd voor de werkelijkheid. Hij pleitte ervoor dat de Britse en Franse zetels in de Veiligheidsraad zouden worden vrijgemaakt voor een vertegenwoordiging van de Europese Gemeenschap van twaalf landen zodra deze er in zouden slagen ook politieke eenheid tot stand te brengen. Indien er straks sprake kon zijn van een communautaire buitenlandse politiek, zouden ledenlanden er niet langer een eigen buitenlandse politiek op kunnen nahouden. Deze logica leidde dwingend tot de volgende: de Britse en Franse aanwezigheid in de Veiligheidsraad zou dan haar bestaansreden zijn ontnomen.

Een zekere paradox in de feitelijke situatie valt niet te veronachtzamen. En daarvan zullen de aangesproken regeringen gebruik willen maken. Weliswaar hebben het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zelfs de schijn van grote mogendheid niet kunnen ophouden en dat ondanks hun status van nucleaire macht maar zij ontlenen beide in het internationale gezelschap een nieuwe betekenis aan de wederopstanding van Europa als economische entiteit. Vandaar dat Van den Broek in een adem een zetel voor de Europese Gemeenschap kon opeisen.

Maar hoe ziet die Gemeenschap eruit? Volgens het Franse en Britse voornemen zal de samenwerking intergouvernementeel zijn, ofwel de, grotere, lidstaten zullen belangrijker blijven dan de communautaire instellingen. Er van uitgaande dat Duitsland (nog) niet de leiding kan (wil) nemen in de VN, kunnen Britten en Fransen heel wel Europa blijven vertegenwoordigen.

De Nederlandse bewindsman volgde een andere redenering. Hij wenst een supranationaal Europa, een Europa waarin de nationale regeringen en parlementen hun bevoegdheden zullen overdragen aan een communautaire regering en aan een communautaire volksvertegenwoordiging. Het zoveel mogelijk afstemmen van het beleid op elkaar, zoals in Londen en Parijs wordt voorzien, zal plaats moeten maken voor de formulering van een communautaire politiek in zaken die de communauteit aangaan, zoals de relaties met de buitenwereld. Het intergouvernementele model zal ruimte bieden voor afwijkende nationale standpunten in het communautaire model zullen die niet meer worden getolereerd. Vandaar dat Britten en Fransen hun eigen rol in New York moeten opgeven.

Van den Broeks interventie had overigens nog een praktische reden. In het Europa van de Twaalf of van meer landen heeft Duitsland een centrale positie. Ondanks het Britse en Franse lidmaatschap van de Veiligheidsraad is Bonn nu al voor de VS en voor de Sovjet-Unie de belangrijkste Europese gesprekspartner. Hoe Duitsland zich tegenover de grote voormalige geallieerden zal opstellen, zal de plaats van Europa in de wereld bepalen. De Duitse politiek in handen van Genscher valt op door grote kiesheid, waardoorheen van tijd tot tijd rauwere sentimenten breken.

Zo de Verenigde Naties een blijvende rol moet worden toegedacht bij de vreedzame ordening van de internationale verhoudingen, zullen zij een correcte afspiegeling moeten zijn van de wezenlijke machtsverdeling in de wereld. Het Duitse accent in de Europese stem zal dan te bestemder plaatse moeten kunnen doorklinken. Van den Broeks communautaire demper kan daarbij niet worden gemist.