'Inspectie treft geen blaam in Zettense affaire-F.'

RIJSWIJK, 20 juni 'Het toezicht van de Kinderbescherming op de Heldringstichtingen in Zetten is naar behoren uitgevoerd en niet tekort geschoten. De inspecteur kan er nu eenmaal niet bij gaan staan als de psychiater bezig is met een behandeling. Ook de klachten zijn correct behandeld.' Dat zegt drs. H. Dijk, hoofdinspecteur Jeugdhulpverlening op het ministerie van WVC, naar aanleiding van de veroordeling eind vorige maand van de voormalige directeur-psychiater van de Zettense inrichting voor moeilijk opvoedbare jongeren wegens ontucht, aanranding en verkrachting van pupillen.

De rechtbank legde de 56-jarige Th. F. zes jaar gevangenisstraf en een beroepsverbod van elf jaar op. Daarbij nam de rechtbank onder andere in aanmerking 'de lange periode waarover de bewezen verklaarde, weerzinwekkende feiten zich stelselmatig hebben uitgestrekt'. De inkt van het vonnis was amper opgedroogd of van hand van Dijk verscheen het boek 'Voetangels en klemmen' Het tweede hoofdstuk gaf hij een prikkelende titel mee: 'De waarheid over de Heldringstichtingen te Zetten'. Zou de topambtenaar het mysterie van Zetten ontsluieren en het antwoord hebben op de intrigerende vraag hoe F. zolang zijn gang kon gaan? Helaas, ook 'de waarheid' van Dijk telt vele vraagtekens. 'Hebben deze jongeren hun diep trieste ervaringen niet kunnen uiten bij ouders, voogden, groepsleiders, medebewoners of vertrouwelingen? Werden zij niet geloofd? Wilde niemand luisteren? Had niemand argwaan? Waren politie, justitie en de vertrouwensarts onbereikbaar?', vraagt hij zich af.

Om er als zijn antwoord op te laten volgen: 'Klaarblijkelijk laat de mogelijkheid van het indienen van klachten te wensen over. En dit mag ons niet loslaten. Maar hoe moet het dan? Misschien moet elk meisje en elke jongen vanaf het eerste moment dat hij of zij in de hulpverlening terechtkomt het telefoonnummer van de vertrouwensarts of een ander centraal meldingspunt aangereikt krijgen'. Dijk was voor zijn transfer naar WVC van 1975 tot 1987 als consulent-inspecteur werkzaam bij de Directie Kinderbescherming van het ministerie van justitie. In die hoedanigheid had hij veel te maken met de Heldringstichtingen. Voordat twee jaar geleden bij de politie de eerste van meer dan twintig aangiften wegens seksueel misbruik door F. werden gedaan, kwamen bij Justitie drie klachten binnen.

De eerste klacht over 'onregelmatigheden op medisch-seksueel terrein' dateert volgens Dijk uit 1979, toen een ex-bewoonster in het weekblad Nieuwe Revu vertelde dat omstreeks 1970 in Zetten werd geexperimenteerd met de prikpil. Het interview leidde tot Kamervragen en voor de beantwoording zocht Dijk het meisje op. Ze wist echter niet meer welke arts haar het anti-conceptiemiddel had voorgeschreven en de naam en het adres van een vriendin die er 'veel meer' van wist weigerde ze te geven. Uit onderzoek in Zetten bleek dat drie meisjes de prikpil gebruikten, maar dat er niet meer mee werd geexperimenteerd.

De tweede klacht, waarin sprake was van seksueel misbruik door F., werd begin jaren tachtig ingediend door de Vereniging tegen seksuele mishandeling door hulpverleners te Nijmegen. 'Het onderzoek liep vast', zegt Dijk. 'Ze weigerden een naam te noemen van een meisje dat de klacht zou hebben geuit. Met nadruk hebben wij erop gewezen dat wij anonieme klachten onmogelijk konden behandelen, omdat er in een dergelijk geval direct een aanklacht wegens smaad te verwachten zou zijn. Het bestuur had geen aanwijzingen, het personeel ook niet en dokter F. zelf ontkende.' De derde klacht werd in 1985 ingediend door de Belangenvereniging Minderjarigen, in de vorm van het zwartboek 'Op zoek naar een plek waar ik kan blijven'. Andermaal toog Dijk naar Nijmegen, nu voor een gesprek met een delegatie van de belangenvereniging. 'Opnieuw bleek dat potentiele getuigen op dat moment niet uit de anonimiteit wensten te treden. Daarmee hield het voor ons op, want op basis van een anonieme klacht kunnen wij natuurlijk nooit een bestuur adviseren een directeur te ontslaan.' Voor een diepgaand onderzoek naar het functioneren van de inspectie, zoals onder meer bepleit door de Belangenvereniging Minderjarigen, het Clara Wichmann Instituut en de Amsterdamse hoogleraar jeugdrecht mr. M. de Langen, is volgens Dijk geen enkele aanleiding. 'De klachten die er waren zijn zorgvuldig behandeld. Ik zou niet weten hoe we het anders hadden moeten doen.'

Hij ontkent ten stelligste dat de animo voor adequaat toezicht op de Heldringstichtingen gering zou zijn geweest, omdat de inrichting als 'eindstation' in de kinderbescherming geen pupillen mocht weigeren van Justitie.

Indachtig het gezegde 'een schip op strand, een baken in zee' vindt Dijk dat uit de zaak-F. de les getrokken moet worden, dat bij langdurige contacten tussen hulpverleners en slachtoffers van incest een vorm van intercollegiale toetsing zou moeten worden toegepast. 'Maar ook dan blijft de vraag of je zulke extreme rampen als die in Zetten voor honderd procent kunt uitbannen. Immers elke een-op-een situatie betekent in feite een verhoogd risico, waarvoor blijft gelden dat toezicht door een derde haaks staat op de gewenste privacy en de gewenste vertrouwensrelatie. Wie zal controleren wat er zich afspeelt in de behandelkamer van de psychiater?'