Ineens, jaren geleden, is de columnitis ...

Ineens, jaren geleden, is de columnitis uitgebroken. Niet alleen hadden de dag- en weekbladen op bijna iedere bladzijde een nieuwbakken columnist aan het werk gezet, er was ook geen radiobode meer, geen personeelskrantje of advertentiekoerier die zonder een pedant scribentje met een eigen hoekje konden.

Vaak betrof het uit de sport- of amusementswereld afkomstige praatjesmakers die, zonder enige omscholingscursus, in het diepe van het columnisme werden gegooid. Wat als een vrolijke noot in de krant bedoeld was werd een zee van zuchten, wat ooit begon als een onafhankelijke stem te midden van bedaagde commentaren en behoedzame nieuwsgaring groeide uit tot een schril koor van vluchtige meninkjes over bijna niks.

Bekende Nederlanders of, anders uitgedrukt, het door de treurbuis opgeklopte schuim dat in een mum van tijd heel wat lijkt maar niettemin schuim blijft, leukdoeners, wijsneuzen, bonzen, politici en zelfs studenten die mirabile dictu bleken te kunnen spellen, iedereen werd vroeg of laat columnist. Je zou haast zo kwaardaardig zijn te denken dat het kortstondige leven dat iedere rel en alle kwesties op het ogenblik leiden te wijten is aan de omvang van deze column-ziekte. Iedere opwinding is na een week weer weggeebd opgefokt, herkauwd en uitgespuugd door honderden columnisten-kelen in hun al of niet omkaderde reservaten.

Ieder serieus onderwerp wordt onmiddellijk weer aan de kant gegooid, omdat columnist C. in zijn streven om zijn columnachtige duit in het zakje te doen hij gaat immers door voor origineeltje zich genoodzaakt ziet al na twee herhalingsoefeningen van columnisten A., en B. uit te roepen dat hun ideeen ouwe koek zijn. Men acht het iedere keer opnieuw het schitterendste idee de anderen bij hun poging tot het uitbouwen, bediscussieren en verwerken van ideeen een halt toe te roepen. Met zoveel beeldenstormers blijft geen beeld langer dan veertien dagen overeind.

Iedere serieuze discussie blijft uit. Zelfs de grootste omwentelingen op het wereldtoneel, de ingrijpendste aanslagen op onze waarden en ons denkpatroon worden teruggebracht tot een luchthartige rage, een mode die verveelt en hoognodig door een nieuwe mode moet worden opgevolgd, ad infinitum. Men slaat op de vlucht voor conclusies. Men gaat consequenties uit de weg.

Ik zou waarachtig niet weten of het verval van het columnisme deze vervloekte tijdgeest alleen maar weerspiegelt, of dat het te grote aantal krakkemikkige consumptie-columnisten juist die geest heeft aangeblazen.

De spoeling is dun, maar klotsen zal het. Uit angst en onvermogen om vergezichten te openen en binnen te treden maken ze van elke weg een doodlopende straat. Een straatje voor wat vermoeid lawaai en tijdverdrijf. Wat ze gisteren opwond is vandaag passe. Er is geen thematiek, geen gedrevenheid, geen hoger spel, geen passiemoord, alleen voos wapengekletter. Men veinst nieuwsgierigheid, maar wil niets weten. Men speelt de wijze kosmopoliet, maar blijft de oppervlakkige en geblaseerde dagjesmens.

Het is opvallend dat de beste columnisten eigenlijk nog steeds dezelfde zijn als die van tien jaar geleden. Misschien zijn er intussen twee of drie bijgekomen die de moeite van het lezen waard zijn. Dat is op zoveel honderden bitter weinig.

Er kwamen van die types die geen ander onderwerp wisten dan het zaniken over andere columnisten, zonder met hen ook maar een principieel meningsverschil te hebben. Zonder de minste innerlijke noodzaak, gewoon omdat het grappig stond en het papier gevuld moest worden. Omdat het gemakkelijk was en men die dag even geen rage bij de hand had om er zijn vluchtige, ricocherende steentje aan bij te dragen.

Ik moet eerlijk zeggen, soms was de verleiding groot er mee op te houden.

Waarom ik daar toch niet toe overging? Misschien omdat er een paar mensen rondliepen die ik dat genoegen niet wilde doen. Maar vooral, denk ik, omdat ik op zo'n moment van verbittering merkte hoezeer ik er aan gehecht ben gelezen te worden. Ik ben niet iemand die graag op een zolderkamer experimentele romans wil zitten schrijven, die vervolgens drie lezers trekken. Het idee onmiddellijk voor mijn woorden en gedachten een breed publiek te hebben windt me op. De gedachte aan dat steeds terugkerende contact, spontaan en direct, met onzichtbare lezers bekoort me. Ik weet niet waardoor het komt. Het zal door een zeker bloed zijn dat in mijn aderen stroomt. Door het bloed, misschien, dat drukinkt heet.