'Afwachten', zei de politie, 'afwachten'

Nica Leon, technicus in een fabriek in Boekarest, is een bekende Roemeen geworden door de per televisie uitgezonden debatten in het inmiddels ontbonden voorlopige parlement. Interim-president Ion Iliescu werd door Nica Leon vele malen fel aangevallen omdat deze de macht zou hebben gestolen. Nica (hoewel geen Hongaar noemt hij zijn achternaam altijd als eerste) heeft in januari zijn eigen partij opgericht, de Vrije Democratische Partij. Zetels heeft zijn partij bij de verkiezingen niet gewonnen. Vlak voor het laatste congres van de communistische partij, in november, stuurde hij een open brief vol aanklachten aan dictator Ceausescu: een levensgevaarlijke daad, maar Nica Leon is hiervoor nooit vervolgd.

Zijn echtgenote Ecatrina: 'Woensdag is hij de hele dag op het partijbureau geweest. 's Avonds, toen de televisie de uitzending staakte, heeft hij het televisiegebouw gebeld. 'Waarom gaan jullie niet door met uitzenden en laten jullie niet zien wie de rotzooi maakt?', vroeg hij. 'De zender is vernield', zei een man en hij lachte. 'Donderdagochtend is hij van huis weggegaan voor een vergadering van zijn partij. 's Middags om vier uur stond er opeens een politieman voor de deur. Hij zei dat Leon was ondergebracht in het ministerie van binnenlandse zaken om hem te beschermen tegen de mijnwerkers. De politieman zei dat mijn dochtertje en ik onmiddellijk weg moesten uit ons appartement. 'De mijnwerkers zouden kunnen komen', zei de politieman. We hebben wat spullen gepakt en zijn ondergedoken. 's Avonds om acht uur belde Leon. Hij was in veiligheid, zei hij, meer niet. Hij klonk kalm. De volgende dag belde hij weer. Hij vroeg om kleding. En hij zei dat ik naar ons appartement moest gaan om twee politiemannen toe te laten. Ik ben gegaan, de mijnwerkers hadden ons gelukkig niet gevonden. Er kwamen een kolonel en een majoor van de politie. Ze waren vriendelijk. Ze doorzochten alles en vonden niets. Na afloop moest ik een papier tekenen. Niets verdachts gevonden, hadden ze geschreven. 'De majoor gaf zijn naam en een telefoonnummer. Ik kon altijd bellen als er problemen waren, zei hij. Zaterdag heb ik gebeld. De majoor was er niet, zei een man. Ik moest maandag maar eens terugbellen; wanneer Leon zou thuiskomen wist die man niet. 'Zondag stond er in de Dimineata, een krant van het Front, dat zigeuners woensdag bij het gooien van brandbommen hadden geroepen: 'Wij zijn het volk van Nica Leon'. 'Maandag hebben de radio en de televisie omgeroepen dat Leon is gearresteerd. Ik hoorde het pas de volgende ochtend. Ik ben onmiddellijk naar de Nederlandse ambassadeur gegaan, Leon had onder Ceausescu al contact met hem. De ambassadeur zei dat hij zou proberen uit te vinden waar Leon is. Hij zei dat ik het ook op het politiebureau moest gaan vragen. Ik ben gegaan. Ik moest eindeloos wachten. Toen ik aan de beurt was zei een politieman dat hij niets wist en dat hij er ook niet achter kon komen. 'Wacht maar af', zei de politieman, 'wacht maar af'.'