Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Defensie

Frankijk gevallen; De traumatische capitulatie van juni1940

Op 17 juni 1940 hield de Franse minister-president, maarschalk Philippe Petain, een radiorede. Hij deelde hierin zijn landgenoten mede, dat hij tot het inzicht was gekomen dat de oorlog verloren was en Frankrijk de strijd moest staken: ' Il faut cesser le combat'.

Een dag later richtte generaal De Gaulle zich ook via de radio tot zijn landgenoten. Hij sprak vanuit Londen. Ook hij erkende dat de slag om Frankrijk verloren was, maar zijn conclusie was niet dat Frankrijk daarom de strijd moest staken. Integendeel, de slag was verloren, maar de oorlog ging door, zo luidde zijn boodschap: ' La France a perdu une bataille, elle n'a pas perdu la guerre'. De beide militairen trokken dus geheel verschillende conclusies uit de nederlaag. Generaal de Gaulle wilde, zoals Nederland en andere landen ook deden, de oorlog vanuit Londen voortzetten en deed dat ook, al was de Franse regering tot een ander besluit gekomen. Hij werd door de Engelsen als de leider van het Vrije Frankrijk erkend, maar door Vichy als muiter ter dood veroordeeld, zij het uiteraard bij verstek. Petain accepteerde de Duitse overwinning en legde zich neer bij een Duits Europa. Hij werd staatshoofd van 'l'Etat francais', het niet door Duitsland bezette deel van het land beter bekend als 'Vichy Frankrijk'. 'Vichy' collaboreerde met de Duitsers. Na de oorlog werd Petain berecht en ter dood veroordeeld. Hij kreeg van De Gaulle echter gratie; dat wil zeggen levenslang. Zo bracht de Held van Verdun de rest van zijn leven door in een sombere gevangenis op het Ile d'Yeu. Hij las er onder andere de oorlogsmemoires van De Gaulle en stierf er in 1951, vijfennegentig jaar oud.

Deze gebeurtenissen hebben een diepe wonde in de Franse samenleving nagelaten. Nooit was Frankrijk meer verenigd dan in 1914-'18, nooit was het meer verdeeld dan in 1940-'45. Dat alles was het gevolg van de gebeurtenissen die zich hebben afgespeeld in de dagen tussen 10 mei en 17 juni 1940. Het is daarom de moeite waard zich vijftig jaar later nog eens af te vragen hoe de zaken toen zijn gelopen en hoe de ineenstorting van Frankrijk valt te verklaren.

Schertsoorlog

De Tweede Wereldoorlog was in 1939 begonnen met de Duitse inval in Polen, maar er was daarna op het westelijk front aanvankelijk vrijwel niets gebeurd. De Fransen spraken daarom van een schertsoorlog, een 'drole de guerre'. Niets belette hen dan ook in maart 1940, in volle oorlogstijd dus, van regering te wisselen. De regering van Daladier werd vervangen door het kabinet-Reynaud, dat het laatste kabinet van de Derde Republiek zou worden. Paul Reynaud, een kleine, krachtige en levendige man, werd wel de Franse Churchill genoemd. In sommige opzichten leek hij daar ook wel op. Hij had net als Churchill sinds lang gewaarschuwd voor de opkomst van Hitler en het Duitse gevaar. Hij had tevens gepleit voor een nauwe aansluiting van Frankrijk bij Engeland en Amerika. Hij deelde de opvattingen van de jonge De Gaulle over het belang van mobiliteit en motorisering van het leger. Toen Edouard Daladier, die op 20 maart 1940 ten val was gebracht, weigerde een nieuw kabinet te formeren, ging de opdracht hiertoe naar Reynaud. Deze formeerde een van de omvangrijkste kabinetten uit de Franse geschiedenis. Er waren maar liefst vijfendertig ministers. Toch haalde het kabinet in de Kamer bij de vertrouwenskwestie slechts een meerderheid van een stem. Dat was geen teken van grote kracht, terwijl ook het feit dat Reynaud zijn voorganger en vijand Daladier op de sleutelpost van minister van defensie had moeten handhaven, niet bijdroeg tot eenheid en kracht. Daladier stond namelijk pal achter de opperbevelhebber generaal Gamelin in wie Reynaud nu juist geen enkel vertrouwen had. Op 9 mei leidden de spanningen hierover tot een crisis in het kabinet. Reynaud besloot zijn ontslagaanvrage in te dienen. Toen begon de volgende dag de langverwachte aanval in het westen en trok Reynaud zijn ontslagaanvrage in. De spanningen bleven echter bestaan en naarmate de oorlog slechter verliep, werden ze sterker.

Na de Duitse inval in Nederland en Belgie waren de Franse legers in het kader van de geplande voorwaartse verdediging naar het noorden getrokken, Belgie in, waar een grote geallieerde troepenmacht werd geconcentreerd. De beslissende slag viel echter niet hier. De Duitsers beschikten namelijk over het moderne, mobiele pantserwapen, op de betekenis waarvan De Gaulle de Fransen tevergeefs had gewezen, en zij wisten het te gebruiken. Op 13 mei staken zij op drie plaatsen de Maas over. Op 16 mei werd duidelijk hoe slecht de situatie er voor de geallieerden uitzag. De noordelijke troepenmacht dreigde door de snelle opmars van de Duitse pantsertroepen te worden afgesneden en omsingeld. Reynaud was zich van het gevaar bewust. Hij had al op 15 mei in een dramatisch telefoongesprek met Churchill de naderende ondergang van het Franse leger aangekondigd.

Churchill wist maar al te goed hoe belangrijk het Franse leger ook voor Engelands veiligheid was. ' Thank God for the French army' had hij in het Lagerhuis na Hitlers machtsovername uitgeroepen. Op 16 mei vloog Churchill naar Parijs om de situatie te bespreken. Er heerste op de Quai d'Orsay een merkwaardige sfeer. Ambtenaren holden af en aan met karretjes vol archiefstukken die op de binnenplaats werden verbrand. Gamelin wees op een stafkaart de plaatsen aan waar de Duitsers waren doorgebroken. Daarna werd het even stil. ' Waar zijn de reserves', vroeg Churchill vervolgens in het Frans aan Gamelin: ' Ou est la masse de manoeuvre?' Gamelin antwoordde slechts met een woord: ' Aucune'. Churchill keerde verbijsterd naar Londen terug. De Franse regering bleef in Parijs.

De Duitsers trokken echter nog niet direct op naar Parijs. Hun strategische doel was namelijk niet de hoofdstad maar het Kanaal. Ze bereikten op 20 mei de zee bij Noyelles en sneden daarmee de laatste uitweg naar het zuiden af. Een miljoen geallieerde soldaten waren nu omsingeld. Diezelfde dag werd Gamelin eindelijk vervangen en opgevolgd door Weygand. De achtenzestigjarige leerling van Joffre maakte plaats voor de tweeenzeventigjarige leerling van Foch. Het was duidelijk wat de bedoeling was: de geest van Verdun moest terugkeren. Dat werd nog duidelijker toen twee dagen later, op 18 mei dus, maarschalk Philippe Petain als vice-premier in de regering werd opgenomen. Petain was inmiddels wel vierentachtig jaar oud.

Duinkerken

De militaire situatie werd er met dat al niet beter op. Weygand, onvermoeibaar ondanks zijn leeftijd, ging per vliegtuig naar het noordelijke front en keerde na veel omzwervingen in Parijs terug. Daar gaf hij op 22 mei een overzicht van de militaire situatie aan Reynaud en Churchill, die opnieuw was overgekomen. De redding moest komen van een tegenoffensief, maar daar zou niet veel van terechtkomen. De Engelsen begonnen al aan evacuatie van hun troepen te denken. Omdat Hitler, bezorgd over zijn ver vooruitgeschoven pantsers, opdracht gaf de opmars naar Duinkerken te vertragen, kregen zij daarvoor ook de kans. Op 27 mei begon de evacuatie van Duinkerken, op 28 mei capituleerden de Belgen. Een week later begon de tweede grote Duitse opmars. De Franse regering verliet, net als in 1870, Parijs en ging naar Bordeaux. De Gaulle, inmiddels door Reynaud als staatssecretaris in de regering opgenomen, ontkwam naar Londen. Het was nu 14 juni en het drama naderde snel zijn ontknoping. Op 15 juni bleek dat een meerderheid van de Franse regering voor een wapenstilstand was. Reynaud en enkele anderen waren hier fel op tegen en traden de dag daarna af. Op 17 juni werd de vice-premier, Petain, de nieuwe regeringsleider. Diezelfde dag nog vroeg hij de Duitsers de voorwaarden voor een wapenstilstand. De wapenstilstands-akte werd op 22 juni getekend in Rethondes, in dezelfde spoorwegwagon waarin de Duitsers in 1918 hun capitulatie hadden getekend. De wraak van Hitler was even compleet als de Franse nederlaag.

Het hoeft niet te verbazen dat zo dramatische gebeurtenissen met zulke grote gevolgen van meet af aan aanleiding hebben gegeven tot discussie en debat. Hoe was dit mogelijk? Hoe was de val van Frankrijk te verklaren? Wie was hiervoor verantwoordelijk? Met de laatste vraag, de schuldvraag dus, begon het natuurlijk en de discussie hierover verliep al even klassiek: de politici gaven de schuld aan de militairen en de militairen weten haar aan de politici. De militairen zouden volgens de politici hebben geblunderd en de politici volgens de militairen de defensie hebben verwaarloosd. Zo simpel was het niet. Beide factoren, politieke en militaire, speelden een rol bij de nederlaag en ze kunnen niet helemaal los van elkaar worden gezien. Militaire en politieke interpretaties van de val van Frankrijk vullen elkaar eerder aan dan dat ze elkaar uitsluiten. Voor een analyse van het probleem is het echter goed ze in eerste instantie van elkaar te onderscheiden.

Maginotlinie

Onder de militaire interpretaties van de nederlaag vinden we enkele varianten. De simpelste en oudste verklaring gaat uit van een overweldigende militaire overmacht van de Duitsers. Tegenover een reusachtig Duits leger, uitgerust met moderne wapens en in het bijzonder met grote aantallen tanks, gesteund door een volstrekte superioriteit in de lucht stond een klein, zwak Frans leger met verouderde wapens en verstoken van luchtsteun. Deze verklaring is heel begrijpelijk. Ze komt niet alleen voort uit een spontane psychologische reactie op de nederlaag - 'de strijd was ongelijk' - maar ook uit het feit dat de oorlog inderdaad op vele plaatsen het beeld te zien gaf van machtige Duitse troepenconcentraties die stonden tegenover dunne Franse verdedigingslinies. Toch is de verklaring in deze vorm onjuist. Wanneer men puur naar de omvang van de strijdkrachten kijkt, is van een Duitse meerderheid geen sprake. Helemaal precies kunnen de cijfers niet worden vastgesteld, maar in het algemeen kan worden gezegd dat de totale troepenmachten elkaar niet veel ontliepen. Van een Duitse superioriteit in aantallen tanks en gemotoriseerde divisies was evenmin sprake. Er was zelfs een licht Frans overwicht. Ook kwalitatief waren de Fransen niet slechter bewapend: het Franse antitankwapen was zelfs beter dan het Duitse. Het enige - en zeer belangrijke - gebied waarop de Duitsers superieur waren, was in de lucht.

Belangrijker dan de omvang van de strijdkrachten was de strategie. De militairen zijn, naar het bekende woord, altijd bezig met het winnen van de vorige oorlog. In ieder geval proberen zij daaruit lessen te trekken. De Fransen schreven na 1870 hun nederlaag van dat jaar toe aan hun defensieve opstelling. In 1914 kozen zij daarom voor het omgekeerde. De sleutel tot de overwinning, zo leerde men aan de krijgsschool, lag in het offensief. De werkelijkheid leerde echter anders: de verdediger genoot in de moderne oorlog juist een overweldigend voordeel. Aanvallen waren gedoemd dood te lopen op de mitrailleurs van de goed beschermde verdedigers. De oorlog werd geen korte oorlog, met enkele beslissende offensieven, maar een uitputtings- en slijtageslag. De Fransen trokken hieruit een nieuwe les: de nieuwe oorlog zou defensief gevoerd worden. Zij bouwden een onneembare vestinglinie, van Basel tot Longwy: de Maginotlinie. De Maginotlinie schiep echter niet alleen grote politieke problemen - hoe kon men een bondgenoot beloven hem te hulp te komen als men zich opsloot achter een vestinglinie? - maar ook een militair probleem. Het schiep een vals veiligheidsgevoel en een mentaliteit van afwachten. Er was ook nog een puur militair probleem: een groot deel van de noordgrens bleef onbeschermd. Om economische en politieke redenen kon de Maginotlinie niet worden doorgetrokken tot aan het Kanaal. Dit hield dus de mogelijkheid open voor een Duitse inval van het type van 1914, namelijk via het noorden, kortom een nieuw Schlieffenplan.

Het Duitse invalsplan van 1940, Sichelschnitt, was inderdaad een soort Schlieffenplan, maar dan omgekeerd. De Engelse krijgshistoricus Liddell Hart heeft het Schlieffenplan van 1914 eens vergeleken met een draaideur: naarmate meer Franse troepen naar het oosten trokken om de Duitsers aan te vallen, konden de Duitse troepen makkelijker vanuit het noorden oprukken. Bij 'Sikkelsnede' draaide de deur de andere kant uit, tegen de klok in. De Franse legers trokken in mei 1940 Belgie binnen om de Duitse aanval op te vangen. Naarmate meer troepen dat deden, werd het centrum meer verzwakt. De zorg hierover was echter niet groot, omdat de Fransen aannamen dat de hoofdaanval uit het noorden zou komen en niet via de voor een militaire opmars ongeschikt geachte Ardennen. Dat was precies wat de Duitsers ze wilden laten geloven. De aanval uit het noorden was echter, om nogmaals Liddell Hart te citeren, slechts 'de mantel van de matador', bedoeld om de aandacht af te leiden en elders toe te slaan. Dat laatste moest het XIXe Pantsercorps van Guderian doen. Dit rukte op via de Ardennen en ondervond maar weinig weerstand. Zo konden deze troepen snel doorstoten naar de kust en de noordelijke legers van de hoofdmacht afsnijden. De Duitse overwinning van 1940 was dus primair een strategische.

Naast deze strategische factor was er ook een tactische. De Duitse pantsertroepen werden als zelfstandige eenheden gehanteerd en geconcentreerd ingezet, met steun van de luchtmacht. De Franse tanks daarentegen waren verdeeld over de diverse legeronderdelen. De Duitsers maakten dus een optimaal gebruik van hun gemotoriseerde divisies. Het belangrijkste kenmerk van de campagne van 1940 was snelheid. In dit opzicht verschilde de oorlog van 1940 sterk van die van 1914. Een dagmars van 1914 was in 1940 nog slechts een kwestie van een paar uur. De Fransen dachten in termen van 1914, de Duitsers van 1940. Dat was het grote verschil. Bij deze strategische en tactische fouten voegden zich een gebrekkige communicatie en frequente commandowisselingen. De verwarring in Frankrijk was groot.

Vreemde nederlaag

De nederlaag van 1940 was niet het resultaat van een overweldigende Duitse meerderheid of een onafwendbaar noodlot. Ze was het gevolg van een serie militaire beslissingen. De resultaten hiervan hadden anders kunnen uitvallen. Andere beslissingen waren mogelijk geweest. Er zijn in deze zin dus geen 'diepere oorzaken' of 'structurele factoren' nodig om haar te verklaren. We kunnen volstaan met de oudste en meest bekende verklaring uit de krijgsgeschiedenis: het toeval, het fortuin, de krijgskans. Maar dat is slechts een deel van het verhaal, zoals blijkt als we de situatie in 1940 vergelijken met die in 1914. Dat de Fransen in september 1914 stand hielden, was ook het gevolg van de krijgskans. De slag aan de Marne was een dubbeltje op zijn kant. Niet voor niets werd van 'het wonder van de Marne' gesproken. Maar daarna doorstonden ze nog vele en veel grotere beproevingen, zoals bij Verdun, en hielden toch stand tot de overwinning in 1918. Waren de Fransen tot een herhaling hiervan in 1940 bereid en in staat? We kunnen het niet met zekerheid zeggen, maar het lijkt onwaarschijnlijk. Om ieder misverstand weg te nemen, dit betekent niet dat de Fransen in 1940 niet moedig hebben gevochten. Het oordeel van een tijdgenoot, ' on se bat et on se bat bien', geldt nog steeds. De Franse verliezen (honderdduizend doden en tweehonderdduizend gewonden) in een zo korte campagne illustreren dit wel. Maar het is toch duidelijk dat de geest van 1940 anders was dan die van '14-'18. Hoewel ook de 'morele factoren' tot de militaire gegevens behoren, verlaten we hier het zuiver militaire terrein en komen we op het gebied van de 'forces profondes', de diepe maatschappelijke en politieke krachten die het verloop van de oorlog mede beheersen. De noodzaak om deze elementen in een analyse van de val van Frankrijk te betrekken, werd al in 1940 onderkend door niemand minder dan de grote historicus Marc Bloch.

Marc Bloch geldt als een van de belangrijkste historici van zijn generatie. Hij was gespecialiseerd in de middeleeuwse geschiedenis, waarover hij enkele beroemde boeken schreef, en is vooral bekend gebleven als de oprichter, samen met Lucien Febvre, van het tijdschrift Annales, dat de moderne geschiedeniswetenschap zo ingrijpend heeft beinvloed. Bloch was een typische vertegenwoordiger van het intellectuele en sociale establishment - zijn vader was ook al hoogleraar in de geschiedenis geweest - en een echte assimile, voor wie het jood zijn weinig en het Frans zijn alles betekende. Hij was een vurig patriot, had als jonge man in de oorlog van '14-'18 meegevochten en meldde zich in 1939 opnieuw aan om dienst te doen. Bloch werd ingedeeld bij de bevoorradingsdienst en belast met het toezicht op de benzinevoorziening. Hij beleefde enkele oorlogsavonturen en schreef al in 1940, heet van de naald dus, een boek over de val van Frankrijk dat na de oorlog postuum werd gepubliceerd. Bloch ging namelijk in het verzet en werd door de Duitsers geexecuteerd.

In dit boek, L'Etrange Defaite, beschrijft Bloch eerst zijn persoonlijke ervaringen om vervolgens de militaire gang van zaken te analyseren. Daarna gaat hij in het derde deel, ' Examen de conscience d'un Francais', in op de algemene achtergronden van de zaak. Hij beschrijft hierin onder andere de mentaliteit in het Franse officierskorps. Velen van zijn mede-officieren beschouwden Roosevelt als een halve en Blum als een hele bolsjewiek. Deze mentaliteit was karakteristiek voor het Franse interbellum. De jaren 1930 waren in Frankrijk een periode van extreme politieke en sociale verdeeldheid. 'Links' met zijn pacifistische en antimilitaristische traditie kon nauwelijks tot een duidelijke en krachtige internationale politiek komen. 'Rechts', traditioneel anti-Duits maar gecharmeerd door de Fuhrer, was evenmin tot een duidelijke politiek in staat. ' Liever Hitler dan Blum' was een leuze die in deze kringen opgang deed. Blum, de socialistische premier van de Volksfront-regering van 1936, was zo omstreden dat Reynaud deze toch onbetwiste vijand van de nazi's in 1940 niet in zijn kabinet durfde opnemen.

In deze afkeer van Blum en het Volksfront kwam de grote Franse anti-republikeinse traditie tot een nieuwe opleving. Dit leidde tot een merkwaardige paradox. Het Franse nationalisme na 1870 was, anders dan in Engeland en Duitsland, geen uiting van zelfbewustzijn en trots maar van wrok en verbittering over het Franse verval. Na de Eerste Wereldoorlog werd deze tendentie nog versterkt. Het Franse nationalisme kwam vooral tot uiting in kritiek op het bestaande sociale en politieke bestel. Het verval van Frankrijk werd het dominerende thema. De Franse nationalisten verkondigden dagelijks de ondergang van land en volk. Alleen een grote beproeving kon tot zuivering en herstel leiden. In deze gedachtengang kreeg de nederlaag iets positiefs: dit was de beproeving die Frankrijk moest doorstaan om zich te herstellen. De aartsbisschop van Lyon noemde Petain de incarnatie van het lijden van Frankrijk. Verrassend genoeg leidde het nationalisme zo dus tot Petain en Vichy, dat wil zeggen tot collaboratie en verraad.

Onoverwinnelijk

De Duitse overwinning van 1940 was een bijzonder goedkope. De slag om Frankrijk kostte de Duitsers slechts 150.000 man (27.000 doden, 110.000 gewonden, 18.000 vermisten). Dat was zeer weinig vergeleken bij 1914-'18. Alleen al in de slag bij Verdun verloren ze drie keer zoveel mensen. Duitsland betaalde dus een geringe prijs voor een zeer grote victorie. De overwinning was immers van grote betekenis. Heel West-Europa was nu door Duitsland bezet. De Atlantische Oceaan lag voor hen open. De 'Battle of Britain' kon beginnen. De overwinning droeg bovendien bij tot het beeld van de onoverwinnelijkheid van de Duitse legers. De verpletterende nederlaag van Frankrijk gaf velen het idee dat de strijd voorbij was en de oorlog beslist. Het nieuwe Duitse Europa moest worden geaccepteerd. De overwinning had dus grote morele gevolgen voor de bezette gebieden, in het bijzonder voor Frankrijk zelf. Een deel van het land werd bezet, een ander deel onder leiding van Petain werkte samen met de Duitsers. Zo leidde de fysieke opdeling van Frankrijk ook tot een politieke en morele verdeeldheid zoals die in andere landen niet in die vorm en in die mate heeft bestaan. Die verdeeldheid werkt door tot de dag van vandaag.

De nederlaag betekende dat Frankrijk verder in de oorlog geen rol van betekenis meer speelde. De oorlog van 1914-'18 was er een geweest van de Fransen, die van 1940-'45 werd bepaald door de Russen en de 'Angelsaksen', zoals De Gaulle ze graag noemde. Bij de besprekingen van Jalta over de toekomst van Duitsland en van Europa was Frankrijk niet vertegenwoordigd. Geen wonder dat Franse politici de problemen van het naoorlogse Europa graag aan Jalta toeschreven. Ze zien desalniettemin de recente instorting van 'de orde van Jalta' met gemengde gevoelens aan. Ze beseffen immers meer dan enig ander land dat het einde van Jalta ook de terugkeer van het Duitse vraagstuk betekent.