In Duitsland zitten vrijheid en eenheid elkaar in de weg

Het is voor de veelgeplaagde Westduitse SPD goed dat ook in de Bondsrepubliek de meeste kiezers en kijkers, en dus ook de media, vooral belangstelling hebben voor het onophoudelijke nieuws over het wereldkampioenschap voetbal in Italie. Dat gold al voor Teamchef Beckenbauer met de Mannschaft twee weken geleden ten zuiden van de Brenner was aangekomen. En dat geldt zeker sinds Joegoslavie jongstleden zondag met 4-1 het eerste sportieve Made in Germany moest slikken.

Door die massale verplaatsing van de belangstelling naar de Mondiali Italia 90, bliksemafleider en alverdringer tegelijk, heeft het voortdurende 'zal ik wel, zal ik niet?' van SPD-kanseliers-kandidaat Oskar Lafontaine verhoudingsgewijs weinig aandacht gekregen. De bijna dagelijkse pelgrimages van allerlei bezorgde SPD'ers naar zijn woning in Saarbrucken zouden de afgelopen weken de journaals en televisieprogramma's anders ruimer hebben gevuld.

Op Lafontaine werd 25 april in Keulen een moordaanslag gepleegd. Hij overleefde op het nippertje en revalideert thuis. Aan beraad van de SPD-top in Bonn kon hij sindsdien niet deelnemen. Wel wist hij op afstand, in een interview met Der Spiegel (28 mei), wat bij te dragen. De eis namelijk dat de oppositionele SPD-fractie in de Bondsdag tegen het staatsverdrag met de DDR moest stemmen, waarna de partijgenoten die in de Bondsraad een meerderheid hebben het zouden mogen 'laten passeren'. Dan konden het staatsverdrag en de Duitse monetaire unie per 1 juli doorgaan, terwijl ook alvast duidelijk werd dat mocht de confrontatie met de markteconomie in de DDR de eerste maanden tot grote aanvangsproblemen leiden de SPD er eigenlijk tegen was geweest. (Zoals die grap van Wim Kan: mogen gereformeerden op zondag in de tram? Ja, maar in de bijwagen, want die kan er niets aan doen.)

Paniek

Lafontaine's 'tweesporige' eis beviel de meerderheid der SPD'ers in Bonn slecht, maar omdat hij er zijn beschikbaarheid als kandidaat-kanselier aan verbond leidde zij tot flinke paniek. Sinds gisteren is het conflict tussen het bestuur en de Bondsdagfractie van de SPD en haar kanseliers-kandidaat formeel voorbij. Lafontaine heeft zijn veto moeten opgeven: de SPD mag volgende week in de Bondsdag en de Bondsraad voor het staatsverdrag stemmen. Maar hij heeft die tweesporigheid voor de toekomst toch bewaard. Want in een SPD-verklaring heet het nu dat het ja tegen het verdrag niet betekent dat men het met de inhoud, de 'volledig onvoldoende voorbereiding van de monetaire unie' of de door de Westduitse regering gekozen procedure eens is.

Ieder revalideert op zijn eigen manier, dat staat vast. Maar de bedevaarten van nerveuze, vaak oudere top-SPD'ers naar Saarbrucken leverden toch een pijnlijke vertoning op tegen de achtergrond van Lafontaine's kennelijk voorspoedige revalidatie. Enkele weken geleden was zijn herstel al genoeg gevorderd om een promotiewedstrijd van de FC Saarbrucken te bezoeken. Vorige week verschenen foto's in de kranten van de 46-jarige Lafontaine bij een avondlijk wijn- en muziekfeest met bevriende partij- en generatiegenoten, waarop Peter Maffay de andere hoofdpersoon was. Deze Maffay is een, al vrij lang jonge, zanger die zijn kracht met donkere stem zoekt in het genre Liebe und roter Wein.

Dat een zo revaliderende kandidaat-kanselier tot gisteren verhinderd bleef om naar Bonn te komen om over zijn eigen veto te praten, moet voor bestuur en Bondsdagfractie van de SPD pijnlijk zijn geweest. Pijnlijk was dat zeker voor nijver bemiddelende zestigers als partij- en fractievoorzitter Hans-Jochen Vogel en vice-voorzitter Johannes Rau. Laat staan voor Willy Brandt, de 76-jarige oud-kanselier en erevoorzitter. Leeftijdsverschillen van twintig tot dertig jaar kunnen hier trouwens voor meer staan dan een generatie- of stijlconflict, lijkt het.

Ostpolitik

De veertigjarige geschiedenis van de Bondsrepubliek is inzake de Duitse kwestie verhelderend en paradoxaal tegelijk. Na de Tweede Wereldoorlog was juist de SPD van partijleider Kurt Schumacher sterk geporteerd voor een zo spoedig mogelijk herstel der Duitse eenheid. Zij had bijgevolg veel moeite met de Westeuropese en Atlantische integratiepolitiek van de Rijnlandse kanselier Konrad Adenauer (CDU), die als het ware naadloos paste bij de Koude Oorlog en de ideologische wedijver tussen Oost en West. Achterin de jaren zestig, toen de SPD in Willy Brandt eindelijk haar eerste kanselier had, verstevigde zij, met de liberale FDP, de basis der Ostpolitik. Die ging er, heel in het kort, van uit dat aan de deling van Duitsland en Europa in het nucleaire tijdperk voorlopig niet veel meer te doen viel. Aan dat uitgangspunt hadden de gebeurtenissen in 1953 (mislukte volksopstand Oost-Berlijn), '56 (idem Boedapest) en '68 (idem Praag) het hunne bijgedragen.

Bilaterale verdragen, vooral die met Polen en de Sovjet-Unie, markeerden de overgang van confrontatie naar acceptatie. De CDU verzette zich, sinds '73 ook onder haar toenmalige voorzitter en oppositieleider Helmut Kohl, vierkant maar vruchteloos tegen die politiek. Het streven naar verbetering van mensenrechten en materiele omstandigheden voor de inwoners van de DDR en Oost-Europa vond een voorlopige bekroning in de Slotakte van Helsinki (CVSE, 1975). Opnieuw meende toen de CDU, bij uitstek de partij van de 'West-integratie' en het grondwettelijk vastgelegde uitgangspunt dat de (democratische) Bondsrepubliek namens alle Duitsers spreekt, dat de Sovjet-Unie via 'Helsinki' als bezetter van Oost-Europa een zeer onverdiend cadeau kreeg. Ook wat de DDR betreft. De preambule van de Westduitse grondwet bleef immers de opdracht bevatten dat de Bondsregering moest streven naar eenheid in vrijheid voor alle Duitsers. Maar steeds meer kwamen eenheid en vrijheid elkaar in de weg te zitten.

Tegen het einde van de jaren tachtig praktiseerde de SPD in het belang van de inwoners van de DDR in de omgang met Oost-Berlijn feitelijk al zo ongeveer het min of meer permanente bestaan van twee Duitse staten. Veel oudere SPD'ers (bijvoorbeeld Brandt, Vogel, Rau) zullen die politiek eerder met het hoofd dan met het hart hebben gevoerd. Maar zou dat bij jongeren, zeg jongeren als de Saarlander Oskar Lafontaine, net zo zijn geweest? Bij de kinderen dus van de na-oorlogse Bondsrepubliek, het meest democratische Duitsland dat er ooit geweest is en dat bovendien door een formidabele welvaart gezegend raakte? Voor wie Parijs en Brussel dichterbij zijn dan Dresden of Cottbus? Die kinderen die de eerdergenoemde preambule van de Westduitse grondwet vermoedelijk eerder een last dan een lust vonden?

Verwarring

De omwenteling in de DDR heeft vorige herfst de principiele nevenschikking van de begrippen eenheid en vrijheid, die de CDU (nog?) niet had losgelaten, ineens ook politiek hanteerbaar gemaakt. Die gebeurtenis heeft grote delen van de SPD, zeker haar jongere politici, aanvankelijk zeer in verwarring gebracht. Net als vele leden van de Westduitse intelligentsia trouwens, die nu, met veel vroeger geengageerde kunstenaars, nogal opmerkelijk afwezig zijn in het Duitse debat.

Kohl, de CDU-kanselier aan wie de geschiedenis de kans gaf om na een revolutie op Oostduitse straten de Duitse eenheid te gaan maken, had als politicus geen zin en als kanselier geen tijd om, op een jaar afstand van verkiezingen, op de aarzelende SPD te wachten. Nu hij een paar maanden later zegt, dat de SPD wel wat laat om consensus is gaan vragen, heeft hij niet helemaal ongelijk.

De oude SPD'er Brandt, die ruim een jaar geleden alle gepraat over Duitse eenheid nog op rationele gronden als 'leugen' aanmerkte, sprak vorige herfst recht uit het hart een zin, die inmiddels al historisch is: 'Wat samen hoort, moet samengroeien.' Maar wat doet een veel jongere SPD'er die het straks tegen de zestiger Kohl moet opnemen, zeg een 46-jarige uit het Saarland (dat pas in '56 tot de Bondsrepubliek toetrad)? Zo iemand denkt historisch voorzover het hem dat elektoraal gepast lijkt. En hij maakt, mede namens vele jongere Westduitse kiezers, alvast een kritisch 'kladje wat het gaat kosten' (nog een woord van Kan). Als de komende maanden in de DDR, na de invoering van de D-mark, de kosten en de sociale chaos groot zijn, zal hij dat kladje met genoegen aan kiezers tonen. En er, desnoods op zo'n 'onhistorische' titel, graag de eerste gemeenschappelijke Duitse verkiezingen mee winnen. Dat Lafontaine gisteravond zei, ruim twee weken voor de Duitse monetaire unie een feit wordt, dat de SPD er nu toch rekening mee houdt dat die verkiezingen spoedig (eind dit jaar) komen, was een nieuwigheid. Zonder haar medewerking kan zoiets niet en totnutoe had zij in het belang der DDR-burgers een geleidelijker weg naar Duitse eenheid geprefereerd. Maar het was geen verbazende nieuwigheid, want nu beslist de jonge kandidaat-kanselier en nu gaat dus dat elektorale kladje voor. Dat zal zeker Helmut Kohl niet verbazen, de historie krijgt de komende zes maanden een keihard Duits verkiezingsgevecht te zien.