Als dit blaadje is versleten ben je mij dan ook vergeten?

Is het poesiealbum altijd iets voor meisjes op de lagere school geweest? Nee. In de zestiende en zeventiende eeuw legden vooral geleerde mannen zulke albums aan. Die werden alba amicorum genoemd en stonden vol tekeningen, lofzangen op de liefde, aansporingen tot deugd en motto's in het Grieks, Arabisch of Latijn. In het poesiealbum van nu leeft de traditie voort: 'Schil de piepers, kook de pap, dan vindt iedereen je knap.'

Dat ik in een traditie werkte wist ik niet toen ik op zevenjarige leeftijd het eerste blaadje van mijn poesiealbum van een mooie tekening wilde voorzien. Ik stelde het me heel nauwkeurig voor: een lachend meisje dat aan komt huppelen waarbij zij vrolijk zwaait naar degene die het album open doet. Zo'n versierd schutblad was al in de negentiende eeuw heel gebruikelijk, daarvoor werd het deftiger aangepakt en schreef men vooraf graag een mooi vers in het Latijn. Dat was in de tijd dat vooral geleerde mannen poesiealbums hadden, die toen nog alba amicorum heetten, of 'Vriendenrol'. Overigens werd het niets met mijn schutblad, de tekening bleef ver ten achter bij mijn verwachtingen en te zien aan de hoekjes heb ik geprobeerd de mislukte bladzij dicht te plakken.

In de zestiende eeuw hadden vooral studenten en hoogleraren een album. Zij reisden dikwijls veel, langs andere universiteiten bij voorbeeld, en ter herinnering aan ontmoetingen vroegen zij nieuwe vrienden om een opdracht in hun album. Dan schreef iemand dat hij 'omwille van de vriendschap' iets aan de bezitter schreef. In het Latijn. Met mooie krullen aan de letters en als het iemand was die een beetje kon schilderen of tekenen dan kwam er nog een plaatje bij. Adellijke inscriptoren lieten nogal eens hun wapen bij hun wat saaie bijdrage schilderen. En omdat men niet van de straat was werd de opdracht voorzien van motto's of citaten, liefst in meer dan een taal. Dat maakt wel eens een wat opschepperige indruk (Ik ken ook Hebreeuws hoor. En Arabisch. En Grieks.) Zulke dingen komen in poesiealbums niet voor. Maar daarin vind je ook weer geen ingenieuze verzen en prachtige aquarellen, zoals de allerliefste schildering van schaatsende studenten op het Leidse Rapenburg in 1600. 'Beste kijker, deze tekening toont u de Hollandse universiteit en laat zien hoe de studentenschare zich uitslooft, wanneer de winterse noordwester het onmogelijk maakt om het Dietse water met het schip van de Dionaeische godin te doorklieven.' Oh wat zijn ze mooi, de zestiende en zeventiende-eeuwse alba die in het museum Meermanno-Westreenianum tentoongesteld zijn. (De latere ook wel, maar niet zo mooi.) Rembrandt bij voorbeeld maakte een tekeningetje in het album van de theologiestudent Jacobus Heyblocq, die overigens expliciet te kennen gaf dat hij voor zijn album op beroemdheden joeg. Want het is wel lang geleden, maar de mensen waren toch niet anders. Gelukkig leerde Jacobus veel beroemde tijdgenoten ook echt kennen, zodat zijn album toch weer terecht 'amicorum' mag heten en heel bijzonder is door inscripties van onder anderen Cats, Huygens, Foquenbroch en Vondel: 'Iakob, pryst ghy eeuwigh werck/ Bouw geen huis, veel min een kerck/ Op den veengront van elcks zin'.

Ook toen al vermaningen en opwekkingen om goed en braaf door het leven te gaan. Of om niet te vergeten dat ieders leven eindig is: 'Wie ontkomt' (Quis evadet) schreef een vriend in het album van de diplomaat Cornelis de Clarges bij een tekening van een zandloper, een schedel en een rokende pijp. In hetzelfde album heeft de schoolmeester Jean de la Chambre ontroerende eendjes aan de waterkant geschilderd. Veel verschillende soorten eendjes trouwens. Zou je die allemaal in Haarlem aan de waterkant hebben kunnen tegenkomen in 1674? Of was het creatieve fantasie? Overigens kwamen er ook wel frivolere aansporingen voor. Zo zien we een student met zijn neus in de boeken, die door een cupidootje aan zijn jas getrokken wordt. Het ventje wijst naar een tafereeltje op de achtergrond waar een naakte Venus een hart staat te smeden. Erbij staat een opwekking geschreven om de boeken nu maar eens te laten voor wat ze zijn: 'Het bevel van de uit schuim geboren Venus gelast je de tuin van Eros te betreden.'

Drank- en minneliederen zijn niet ongebruikelijk in de studentenalba. In het album van de zeventiende-eeuwer Johan van Mathenesse kwam een studievriend er maar rond voor uit: 'Laat de lide seggen wat sie willen/ Ick seg dat twie wackere Juffren billen/ meer Jonggesellen komen locken/ als vijfentwintig kosters met haar gelocken (klokken)'.

Ze overheersen niet, deze vrolijkheden. De brave motto's voeren de boventoon: 'Een vroom gemoed, acht eer voor goet'. Keurig.

Plakplaatjes

Hoe is uit zoiets chics en eerbiedwaardigs als deze alba nu toch het met glitterende plakplaatjes en onbenullige rijmpjes volgestouwde kartonnen poesiealbum gegroeid? Dat is een verkeerde vraag, maakte de heer R. E. O. Ekkart duidelijk op het aan de alba amicorum gewijde symposium dat vorige week in Den Haag werd gehouden. Ten eerste waren de alba amicorum heus niet allemaal aan een stuk door van zulk hoog niveau, er zaten ook heel veel knullige en saaie tussen. Ten tweede vond de verschuiving heel geleidelijk plaats. Ten derde bevatten sommige poesiealbums ook hele leuke en originele inscripties. (Dat is waar. In het mijne staan hele mooi zelfgemaakte: 'Dan komt ook de prins van je dromen/ prinsesje zal jij dan zijn... '

met een zelfuitgeknipt plaatje erbij.)Geleidelijk dus. In de achttiende eeuw reisden de studenten niet meer zoveel en vroegen ze vooral studiegenoten om bijdragen. Het album wordt dan iets dat bij de studietijd hoort, daarna verdwijnt het in de kast. Hoogleraren schrijven niet meer zo dikwijls in de boekjes. Het album is iets voor jonge mannen geworden, niet meer voor volwassen mannen. Vrouwen deden er uberhaupt niet veel aan, een klein groepje adellijke dames had er wel een, maar dat staat in geen verhouding tot de mannenalba. Vrouwen reisden niet, en studeren mochten ze ook niet. Pas tegen het einde van de achttiende eeuw beginnen zij er ook van die boekjes op na te houden.

Een student die een album heeft moet ook zorgen dat het vol komt. Een verzameling van drie stuks is geen verzameling, dat is armoedig. Dat betekent dat er veel plichtmatige inscripties verschijnen in de boekjes, die overigens ook zelf een gestandaardiseerd uiterlijk kregen. Rood marokijnen of bruin gemarmerd leren bandjes, met goud bestempeld. Egbert Philip van Visvliet had er ook zo een toen hij van 1755 tot 1762 in Leiden studeerde. Het is een flink vol album, met 195 bijdragen, waaronder toespelingen op zijn naam (vissende kindertjes aan een vliet), een liefdespaar waar veel over 'suivre zieljuwelen', 'eed'le zeeden' en 'kuische vrientschap' bij geschreven staat hoewel de getekende heer intussen wel probeert zijn hand in het keursje van de dame te schuiven, en een verrukkelijke, zowel klungelig als knap geschilderde voorstelling van Amor die de beker der vriendschap aanbiedt aan Van Visvliet en een studievriend die mollig en naakt met capejes om temidden van de attributen van hun respectievelijke studies zitten, alles onder het goedkeurend oog van Pallas Athene: 'Aan hen wier bevriende geeste Pallas in studieen verenigt, wijdt ware liefde dikwijls zijn eigen geschenken.'

Dat is andere koek dan 'Itje ditje datje/ Egbert is een schatje' met een boeketje inplakroosjes ernaast, al is de intentie waarschijnlijk zo'n beetje hetzelfde.

Waarom hebben mensen toch zo enorm de behoefte om te preken als iemand ze vraagt iets in een album te schrijven? Menig vers, van de vroegste tot de hedendaagse, vertelt de bezitter van het album hoe hij of zij zich moet gedragen om de moeilijkheden van het leven te overwinnen. Dat ontaardt soms in oorlogszuchtige aansporingen zoals deze uit 1898: 'Vriendin! wanneer zich op uw pad/ Doornen voordoen: treed ze plat.'

Meestal wordt de aangeschrevene vooral toegeroepen blijmoedig, ferm en deugdzaam de wereld tegemoet te treden. Meisjes moeten bovendien ook nog lief en vrolijk zijn: 'wees een zonnetje voor ieder'. Maar vooral ook heel oppassend. In 1964 nog schreef de kraamverzorgster van mijn jongste broertje een heel leuke kraamverzorgster, op wie ons gezin collectief verliefd was de volgende nergens op slaande regels in mijn album: Wees rein als de bloemen der lente, Want schoon is het beeld van je jeugd En de kroon die een meisje moet sieren Is liefde, reinheid en deugd.

Op de tentoonstelling zag ik dat het al een oud poesievers was, het stond in een album uit het begin van deze eeuw. Het vrolijke zustertje zal er niets mee bedoeld hebben, ze kende het waarschijnlijk gewoon uit haar eigen album. Net als de plaatjes hebben ook de versjes in de loop der tijd elke betekenis verloren.

Behalve de aansporingen zijn er de lofzangen op de vriendschap, die nooit zal vergaan. Dat is een duidelijk overblijfsel van het oorspronkelijke idee van het album amicorum, een boek waarin vrienden iets aardigs voor elkaar schrijven uit vriendschap. Potgieter sloot zijn album definitief nadat hij in verschillende opdrachtschrijvers ernstig teleurgesteld werd, hij nam het idee blijkbaar nog serieus. Toch was hij weer niet zo gedesillusioneerd dat hij zelf geen inscripties meer schreef, overigens ook getuigend van de naieve verwachting van eeuwige vriendschap: 'Moog Mijn naam in uw gemoed als in Uw album staan!' Wie nu het 'Rozen verwelken' in haar album ziet staan, geschreven door een achtjarige die daarin ernstig en met spelfouten beweert dat 'onze vriendscgap altijt [zal] bestaan' zou wel heel dwaas zijn om zich teleurgesteld te voelen over het niet uitkomen van deze wens. Misschien zijn zulke dingen ook wel geloofwaardiger als in een bewonderenswaardige tekening sprake is van 'Die band der vriendschap die mijn ziel aan de Uwe bindt'. In 1972 maakte Hans Andreus een modern vriendschapsvers voor het boekenweekgeschenk, waarin oude en nieuwe poesieversjes waren verzameld: Zo parelend fris als een frisdrankdie de dorst op een zomerdag lesten knapp'rig als een zakje chips datop kraak en smaak is getest, zo moge onze vriendschap wezen, al is wat ik voor je voeltoch minder broos en breekbaaren ook veel minder koel!Ik heb het nooit in een poesiealbum zien staan jammer genoeg. Evenmin als Cees Buddingh's variant op een oud stramien:

Je vader trekt flessen, je moeder schaatst scheef, maar jij blijft mijn vriendje zolang als ik leef.

Al heel oud is de verontschuldiging voor de eigen bijdrage. Het is zelfs een op zichzelf staand gedicht geworden ('Al schrijf ik op een schuine lijn, / toch wil ik in je album zijn') waar inderdaad weinig moeite aan is besteed. Dan de tante van Cornelia Hamer. Die borduurde in 1820 een prachtig roos waarnaast ze schreef: 'Eenvoudig is dees klijne roos/ Die ik voor uw album koos', en in het vervolg moedigt zij haar nichtje aan het geschenk maar te nemen voor wat het is en vooral te bedenken dat haar liefhebbende tante het maakte. In 1668 tekende Albertus Munningh heel kunstig een figuur die voor de helft wetenschapper is, met baret, toga en boek en voor de helft krijgsman met helm, kuras en lans, daarmee de in de alba populaire spreuk 'Arte et marte' (Door krijgskunst en wetenschap) illustrerend. Ernaast zette hij in bescheiden Latijn dat hij aan 'zijn zeer oprechte vriend deze kleinigheid' aanbood.

Vlechtwerkje 'Zodra [de jongedames] tegen het einde van de achttiende eeuw als bezitster en in toenemende frequentie als inscriptor hun intrede in de albumwereld hebben gedaan, nemen zij deze binnen de kortste keren vrijwel geheel in hun bezit, ' schrijven C. L. Heesakkers en K. Thomassen in de catalogus bij de tentoonstelling. Die dames toch. Het lijkt mij waarschijnlijker dat de heren er al spoedig niet veel meer aan vonden toen ook vrouwen zulke alba gingen houden. Toen werd het natuurlijk snel 'iets voor meisjes', dus iets wat een echte jongen niet wilde. Eerst gingen sommige mannen er nog prat op dat hun alba van een andere soort waren dan die van de dames, een echtere, betere soort, waaruit meer oprechte vriendschap sprak, maar op den duur was dat niet meer vol te houden. Volwassen mannen hielden zich niet meer met die flauwiteiten bezig. De jongedames die het wel deden werden langzaamaan steeds jonger totdat het poesiealbum, in het begin van deze eeuw, voornamelijk nog werd gehouden door meisjes in de lagere-schoolleeftijd. Al in 1860 kwamen de eerste poesieplaatjes op de markt, toen was het snel gedaan met al die mooie zelfgemaakte tekeningen en handwerkjes. Jammer, want vooral in de negentiende eeuw bereikten de vrouwen, onder leiding van Penelope, een 'maandwerk aan het vrouwelijk geslacht toegewijd' grote hoogte in het kunstzinnig knippen, prikken of borduren. Nog bijzonderder waren de haarkunstwerkjes, een esthetisch vlechtwerkje van een plukje haar, een hartje gemaakt van een lok van degene die de bijdrage leverde, een kransje om wat bloemen. Of, luguber, maar toen 'aandoenlijk' gevonden, een 'smaakvol monumentje' geplakt van haar van een zojuist overledene.

De toen gangbare albums bestonden uit een doosje met losse velletjes erin, dat was bij het borduren natuurlijk wel makkelijker. Bovendien hadden die losse blaadjes het voordeel dat men zijn album niet uit handen hoefde te geven, met alle gevaren van dien. De dichter Rhijnvis Feith heeft er eens twaalf jaar op moeten wachten voor hij het weer terug kreeg. Zelf heb ik ook een hele slechte ervaring gehad, met een klasgenootje dat het lang hield en het toen geheel verfomfaaid weer teruggaf. En wat erger was: er ontbraken plaatjes. Had haar broertje gedaan zei ze. En ook nog een stom versje dat ze erin geschreven had, bovendien op de verkeerde bladzij! Zulke risico's loop je bij losbladigheid niet. Al raakt zo'n los velletje wel weer makkelijk zoek, of beduimeld en bij het bekijken van de collectie is het ook niet handig: raam open, briesje, pffoei: alles op de grond.

Aan het einde van de negentiende eeuw ging men weer op vaste albums over, meestal uit Duitsland afkomstig, waardoor er 'Poesie' op de kaft gedrukt stond en geen Poezie. 'De populaire aanduiding 'Poesiealbum' wordt hierdoor geheel verklaard, ' stelt de catalogus tevreden vast. De bezitters zijn meest jonge vrouwen uit de betere kringen, de inscripties meer dan eens geinspireerd op verzen van de dominee-dichters of op meer algemeen poetisch werk. De toenmalige dichters zelf legden ook alba aan en droegen bij aan die van hun collega's. Willem Bilderdijk bij voorbeeld was dol op het schrijven van poesieversjes. In zijn eigen album werd hij op een zo schaamteloze wijze de hemel ingeprezen dat hij er op een geven moment maar weer mee ophield. 'Wie durft wie kan wie zal ooit Bilderdijk volroemen?/ D'onovertrefbre, den volmaakste van 't heelal!' Cornelis Paradijs is er niets bij.

Bilderdijk hoorde bij de laatste volwassenen met een album. Deze eeuw is het album tussen de schoolbanken terecht gekomen, met de bekende gevolgen.

Verjaardag

Waarom hebben kleine meisjes eigenlijk een poesiealbum? Omdat ze er een krijgen voor hun verjaardag waarschijnlijk. En als je er een hebt, dan laat je er ouders, vriendinnetjes, opa's en oma's, ooms en tantes in schrijven want een leeg poesialbum is niks. Toch blijft het mal, die verheven, stijve of afgezaagde verzen geschreven voor meisjes van negen die er geen klap van begrijpen en die het ook geen seconde om de inhoud van het gebodene gaat. Het gaat om de plaatjes en om hoe het geheel eruit ziet, bij voorbeeld versierd met hoekrijmpjes zoals 'tip, tap, top, de datum staat op zijn kop' of extraatjes als 'als dit blaadje is versleten ben je mij dan ook vergeten?'. De plaatjes houden over het algemeen ook niet het minste verband met hetgeen beweerd wordt in het versje, over alle bladzijden zwerven dezelfde kabouters, prinsesjes en leuke poesjes. De elfjarige wordt door leeftijdgenootjes met 'gij' aangesproken, of aangespoord om huisvrouwelijke deugden te ontwikkelen. Een schoolvriendinnetje in 1969:

Schrob de keuken Dweil de gang Vang de spinnen Wees niet bang Schil de piepers Kook de pap Dan vindt iedereen je knap

Als ik me goed herinner was haar moeder actief in Dolle Mina.

En is het nu een mooie herinnering? Eigenlijk zijn de enige bijdragen die achteraf de moeite waard zijn van familieleden, omdat je die tenminste ook nadat ze hun bijdragen schreven nog dikwijls hebt meegemaakt. Ik heb al lang geen idee meer wie mijn 'schoolvrindinetje Amber' was die mij in 1966 verzocht later, als ik op hooggehakte schoentjes door mijn kamertje zou lopen, nog eens aan haar te denken.

Alba Amicorum. Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum/ Museum van het Boek. Van 8 juni tot en met 11 augustus, ma-za 13-17 uur.

K. Thomassen (red.) Alba Amicorum. Vijf eeuwen vriendschap op papier gezet: Het album amicorum en het poeziealbum in de Nederlanden. Uitg. Gary Schwartz/ SDU, 184 blz. Prijs fl.34,50, geb. fl.59,90.